Tot dese hoochte opgeclommen

Elke zichzelf respecterende stad heeft de afgelopen jaren een nieuwe stadsgeschiedenis gekregen. Van die van Amsterdam verscheen vorige week het eerste deel, over de periode waarin nog niets op een komende bloei wees. Maar de wortels voor de Amsterdamse grote bek lagen er al.

Dat elk nadeel zijn voordeel heeft is een uitdrukking die Amsterdamser is dan men over het algemeen denkt. Neem nou de stad zelf. Die had alleen maar nadelen: er was geen plek moeilijker bereikbaar dan Amsterdam. Om bij de zee te komen moest men via ondiepe geulen in de Zuiderzee naar Texel zeilen, of zich daarheen laten slepen. Van Texel uit kon men alleen vertrekken wanneer er een gunstige westenwind waaide. En daar moesten de schepen soms weken op wachten. De stad was in feite onbebouwbaar. Op de drassige grond zakten de huizen weg. De grachten waren smerig en daaruit walmde op zomerse dagen een keur aan pestilente dampen. Landbouw was door het inklinkend veen in de omgeving niet goed meer mogelijk en Amsterdammers konden niet eens beschikken over vers drinkwater. Dat moest notabene met schuiten worden aangevoerd. Als je dan per se omstreeks 1200 een stad met toekomst wilde bouwen, dan kon je maar beter niet aan de monding van de Amstel wezen.

Maar, zoals gezegd, ergens moet daar ook een voordeel in hebben gescholen. Dat van die moeilijke bereikbaarheid gold bijvoorbeeld ook voor elke vijand. De stad lag dus veilig. En wat die drassige bodem betreft, het daagde de bewoners uit tot grote inventiviteit. Ze vonden van alles uit om huizen, kerken en kloosters op te bouwen. Koeienhuiden, plaggen, paaltjes, planken en kiezelbedden dienden als fundament. En men leerde de fijne kneepjes van het heien en opkrikken.

Amsterdam was een beetje het lelijke eendje onder de Hollandse steden. Zij was niet de voornaamste stad in Holland, zij kreeg laat stadsrecht en had geen roemrucht verleden. Dordrecht was de oudste stad, Haarlem had zijn grafelijk hof en een mooie omgeving, Leiden bezat een universiteit, Enkhuizen had als eerste stad voor de opstand tegen Spanje gekozen, in Alkmaar had de victorie gekraaid. Maar Amsterdam bezat eigenlijk niets om zich voor op de borst te slaan.

Vanuit een achterstandspositie heeft Amsterdam zich in een verbijsterend hoog tempo opgewerkt. De stad heeft zich als de baron van Münchhausen op eigen kracht uit het moeras omhoog weten te trekken. In drie eeuwen ontwikkelde dit veendorpje zich tot de grote handelsmetropool van Europa. Vriend en vijand, Amsterdammer en buitenlander, stonden daarover versteld, en dat is zo gebleven. Die verbazing en bewondering lezen we in de zeventiende eeuw, toen er maar liefst zes stadsbeschrijvingen verschenen, in de achttiende eeuw toen de houthandelaar Jan Wagenaar zijn geschiedenis van Amsterdam publiceerde, aan het eind van de negentiende eeuw toen Jan ter Gouw een achtdelig werk uitbracht, tot de voorlaatste die van I.J. Brugmans uit de jaren dertig van de vorige eeuw.

Vorige week verscheen het eerste deel van de Geschiedenis van Amsterdam en ook hier is het succesverhaal opnieuw aanleiding voor open monden van de historici. Zonder op iedere bladzijde de loftrompet te steken blijkt uit de bijdragen van alle elf auteurs hun bewondering, hun enthousiasme en ook de liefde voor deze stad. De gedegen bijdragen, de stevige eindredactie en de inzet van de uitgever hebben een schitterend monument voor de stad neergezet. En dit is nog maar deel 1.

Niet alleen Amsterdam was toe aan een nieuwe geschiedschrijving. Het is opmerkelijk hoeveel stadsgeschiedenissen er in de afgelopen tien jaar zijn verschenen. Die hausse zette in met kloeke delen over Haarlem in 1995 en spoedig volgden 's-Hertogenbosch (1997), Leeuwarden (1999), Rotterdam, Utrecht en Assen (2000). Over Dordrecht kwamen drie delen uit. Vorig jaar verscheen Duizend jaar Gouda in precies 815 pagina's en kwam het tweede deel van de vierdelige reeks over Leiden van de persen, evenals een boek over Groningen in de twintigste eeuw. Stadsgeschiedenissen van Arnhem, Zwolle, Nijmegen en Den Haag zijn in de maak.

Maar wie begint aan zo'n karwei en voor wie is dat allemaal geschreven?

Afgaande op de voorwoorden blijkt dat nergens het initiatief van de stad zelf, dus van de stedelijke overheid is uitgegaan. Met geschiedenis kan je politiek niet scoren. De ideeën kwamen van plaatselijke historische verenigingen, gemeentarchieven en stedelijke musea. Daar steekt men de koppen bij elkaar, richt een stichting op en benoemt een redactie. De redactie stelt een periodisering vast, bepaalt thema's en zoekt auteurs. En terwijl de auteurs aan het werk gaan, beeldredacteuren naar illustraties zoeken, gaat het bestuur op zoek naar geld en een uitgever. Dat is een onzichtbare activiteit die veel tijd en diplomatie vereist. Plaatselijke banken, particuliere fondsen, door archieven en musea verleende faciliteiten en bijdragen van de gemeente maken zo'n boek uiteindelijk mogelijk.

Uit de vele voorwoorden en inleidingen door de redacties, bestuursvoorzitters en een enkele burgemeester blijkt dat wetenschappelijke en ideële motieven de aanzet hebben gegeven. De inleiders hopen allen dat hun boek de lezers meer historisch besef en meer respect voor het historisch erfgoed bijbrengt. Ook valt te lezen dat de burger van de stad door het boek naar men verwacht meer betrokken zal raken bij de samenleving of zelfs inspiratie zal putten uit het verleden om problemen van vandaag aan te pakken.

Wetenschappelijk gezien zijn er concretere motieven te vinden. Er is de laatste decennia veel nieuw historisch onderzoek gedaan op alle gebieden van het stedelijk verleden. Op dat van de stedenbouw, de architectuur, de handel, de defensie, de nijverheid, de buurtcohesie, het mecenaat tot aan de riolering, de prostitutie en het vloeken op straat aan toe. Dat heeft een onvoorstelbare hoeveelheid tijdschriftartikelen, scripties, proefschiften en monografieën opgeleverd. Voeg daarbij het vele onderzoek van oudheidkundige verenigingen en de vele archeologische vondsten en het zal duidelijk zijn dat het tijd is voor een synthese.

Wat eveneens opvalt is dat er van alles meer is. Er is, om te beginnen, per definitie meer geschiedenis dan vijftig, honderd of driehonderd jaar geleden. Er zijn meer bronnen opgedoken en toegankelijk gemaakt. Er worden meer disciplines ingeschakeld of het nu de numismatiek, de statistiek en kansberekening, de antropologie of het pollenonderzoek is. En tenslotte zijn er ook meer auteurs. De grote periode die bestreken moet worden, de uiteenlopende thema's, het is meer dan één auteur kan behappen en men werkt (op enkele uitzonderingen na, zoals Rotterdam) in een team.

Over stadsgeschiedenis wordt in vakkringen veel geschreven, er is een discipline die zich `urban history' noemt en aan enkele universiteiten zijn hoogleraren stadsgeschiedenis benoemd. Maar de opvattingen hoe je een stad het beste kan beschrijven lopen sterk uiteen. Soms ligt het zwaartepunt bij de economische benadering, anderen kijken veel meer hoe sociale processen zich in bepaalde delen of ruimtes van de stad afspelen; daar speelt bijvoorbeeld het onderscheid `openbare' en `private' ruimte een rol. Weer anderen leggen de nadruk op het identiteitsgevoel van de bewoners. Moet je een stad beschrijven binnen zijn grenzen, of juist in relatie tot het omringende platteland of zelfs tot het stedennetwerk waar het deel van uitmaakt, zodat je eigenlijk een regionale geschiedenis krijgt?

Architectuurhistorici en stedenbouwkundigen leggen nadruk op de stad als een materieel complex en op stedelijke structuren met een vrijwel autonome ontwikkeling. Daar komt geen mens aan te pas. Aan een plaatsbepaling binnen deze theoretische reflecties hebben de samenstellers van deze stadsgeschiedenis zich niet gewaagd en dat is maar goed ook. Dat had een onleesbaar hoofdstuk opgeleverd en mogelijk had deel 1 dan nog lang niet in de winkel gelegen.

De nieuwe Geschiedenis van Amsterdam zal uiteindelijk uit vijf delen bestaan en bestrijkt dan de hele geschiedenis, van 1200 tot 2000. Het werk volgt een solide chronologisch model. De stad wordt in elke periode benaderd vanuit zijn ruimtelijke aspecten, de economie, de politieke en juridische instituties, religie en cultuur. Een centrale lijn is de reactie van Amsterdammers op veranderingen in hun stad. Zo wordt de lezer gevoerd van de metershoge veenpakketten die omstreeks het jaar duizend hier en daar werden afgewaterd, naar het inklinkend veenlandschap, naar de terpen met houten huisjes waar vissers en boeren woonden en een enkele ambachtsman, naar het gehucht aan de Amstel dat omstreeks 1300 met zo'n duizend inwoners een eerste omwalling kreeg. We lezen over het stadsrecht van 1342, over de eerste ommuring in 1482, over de langzame en noodzakelijke vervanging van houten door stenen huizen en over de vele kloosters.

Naarmate de bevolking groeide en vermogender werd, worden ook de pogingen zichtbaar om privileges van de landsheer te verkrijgen (in ruil voor geld en militaire bijstand). Men streefde naar autonomie in het bestuur en de rechtspraak en hoe meer dat lukte en hoe beter het openbare leven gereguleerd werd des te zelfbewuster de stad zich naar buiten kon opstellen. Een mooi voorbeeld van dat laatste had plaats aan het begin van de zestiende eeuw toen Gelderse troepen aanvallen op de stad uitvoerden. De hertog van Gelre liet door een bode een mondelinge boodschap overbrengen aan de stad. De burgemeesters formuleerden een mondeling antwoord, waarop de bode om een schriftelijk antwoord verzocht. Dat paste nu eenmaal ten opzichte van een hertog. Niets mee te maken, moeten de vroede vaderen gedacht hebben en ze gaven hem de boodschap mee: `voor woorden geven wij woorden', waarmee ze de feodale omgangsvormen aan hun laars lapten. Hier liggen de wortels van de Amsterdamse grote bek.

Omstreeks 1550 vond een economische stroomversnelling plaats, een intensivering van de vrachtvaart en daardoor weer een uitbreiding van de scheepsbouw met alle toeleveringsbedrijven van dien, een vergroting van het assortiment verhandelde producten, een toenemende rijkdom en daarbij de mogelijkheden tot sociale stijging. De groei van het aantal inwoners, de toenemende verschillen in inkomen en vermogen, de reformatorische invloeden veroorzaakten in de zestiende eeuw aardschokken in het sociale leven. Aan het begin van de opstand tegen de Spaanse koning, die in 1568 begon, bleef de stad, anders dan de andere Hollandse en Zeeuwse steden, aan de kant van Spanje staan. Pas laat, in 1578, toen de stad economisch geheel geïsoleerd was en de verdrijving van calvinistische burgers een zware tol begon te eisen, koos Amsterdam de kant van Willem van Oranje. Die cruciale gebeurtenis, de Alteratie, waarbij het katholieke stadsbestuur even triviaal als vreedzaam op bootjes de stad werd uitgestuurd, vormt het eindpunt van dit eerste deel.

Op alle gebieden is in dit boek het nieuwste onderzoek verwerkt. Dat zit hem vooral in details, maar in ieder geval springt de inbreng van de archeologie, de historische geografie, de economie en de cultuurwetenschappen eruit. Vooral over de vroege periode waarover weinig geschreven bronnen bewaard zijn gebleven heeft dat inzichten opgeleverd over bouwmethoden, over voedselpatronen, over de materiële cultuur en over de differentiatie in beroepsgroepen die eerder inzette dan men altijd had aangenomen. Een archeologische kwestie was het in 1994 aan de Nieuwendijk aangetroffen `Kasteel van de heren van Amstel'. Hierover ontstond destijds een vlammende polemiek tussen archeologen die hier het huis van de Gijsbrecht van Amstel dachten te zien en historici die meenden dat hier nooit een kasteel had kunnen staan. Het oordeel in dit boek luidt dat er wel degelijk een burcht aan de Nieuwendijk heeft gestaan. Maar die werd gebouwd tussen 1280 en 1290, waarschijnlijk als een van de zogeheten dwangburchten van Floris de Vijfde.

Ook op economisch gebied neemt het boek afstand van oudere literatuur. Amsterdamse kooplieden waren in de vijftiende eeuw helemaal niet zo innovatief op het gebied van handel en scheepvaart. Veel langer dan gedacht bleven kooplieden van buiten de stad dominant. De actieve rol van Amsterdam in de graanhandel blijkt altijd overschat te zijn. Ook wordt getwijfeld of Amsterdam werkelijk een superstapelmarkt is geweest, en of de stad de omschrijving `pakhuis van de wereld' wel verdient. De these van Jonathan Israel dat de Amsterdamse economie tot de massale immigratie van Zuid-Nederlanders tussen 1565 en 1585 op bulkgoederen (hout en graan) dreef en daarna op luxegoederen wordt in dit boek verder ondergraven.

Er is meer dan in vroegere geschiedschrijvingen ruimte besteed aan het geestelijk leven in de stad en aan de cultuur. De laatbloeier onder de Hollandse steden blijkt al vroeg vermaard te zijn geweest om de mooie kerkzang; in de kloosters werkten fantastische boekdecorateurs, de zilversmeden bereikten een hoog niveau. Altaarstukken en portretten uit de zestiende eeuw vormen de aanloop tot een latere schildertraditie die zijn weerga niet zou kennen.

Een stadsgeschiedenis draagt het gevaar in zich dat de stad gepersonifieerd wordt – de stad als een wezen van vlees en bloed. Maar de auteurs hebben goed oog gehad voor de innerlijke tegenstellingen. Voor de conflicten tussen overheid en burger, tussen burgers onderling, tussen de verschillende geloofsovertuigingen. Ook de schijnbaar onvermijdelijke opmars van de stad, de successen, de bloei die op alle mogelijke gebieden gestaafd kan worden maakt de auteurs niet blind voor de negatieve kanten. De Amsterdammer was niet per definitie een goed mens. Hij speculeerde als het even kon met grond en hield als het hem uitkwam een noodzakelijke stadsuitbreiding tegen. Onbekommerd bleven de inwoners huisvuil en slachtafval op de straten en in de grachten gooien, er heerste overbevolking, armen en de bejaarden die geen huis hadden woonden onder de bogen van de stadsmuren en er was, zo komt uit de rechterlijke archieven naar voren, heel veel geweld. Omstreeks 1350 bestond 53 procent van de bestrafte misdrijven uit gewelddelicten; in de omliggende dorpen was dat 20 procent.

Een van de voornemens van de redactie is geweest om ook de stem van de `gewone Amsterdammer' mee te laten klinken. Voor de eerste helft van het boek is dat niet gelukt. Dat ligt deels aan het gebrek aan persoonlijke bronnen. De contouren van de Amsterdammer komen pas halverwege uit de middeleeuwse mist te voorschijn. Hier een pastoor, daar een lakenkoopman, elders een gildebroeder of een schipper. Toch hebben de auteurs het organisch verband tussen historische structuren en het persoonlijke dagelijkse leven maar moeilijk kunnen leggen.

Een ander aspect waarop de redactie van dit royaal uitgegeven boek haar best heeft gedaan is het beeldmateriaal. Het boek bevat ruim 400 afbeeldingen van voorwerpen, reproducties van tekeningen, prenten en schilderijen, foto's van opgravingen en getekende kaartjes. Over het algemeen is dat beeld goed gekozen, maar in enkele gevallen is de keuze weinig functioneel. Drie foto's van drie opgegraven kogels zeggen niets als er niet bij vermeld wordt hoe die projectielen werden afgeschoten en door wie. Soms zijn de bijschriften informatierijk, soms geven ze alleen summiere inlichtingen over afmetingen. Een aantal reproducties is te grijs, waardoor details verloren zijn gegaan.

Dat alles neemt niet weg dat met Een stad uit het niets de indrukwekkende voorhoede van nog vier delen is verschenen. In het boek staan hier en daar voorbeelden van stedelijke trots. In 1597 bijvoorbeeld schreef een zekere Cornelius Plancius dat andere steden zich konden beroemen op hun ouderdom, op hun oude gebouwen en op krachtdadige stichters. Wij Amsterdammers hebben dat anders gedaan. Wij zijn niet gesticht door `machtige coningen'. Wij zijn `tot dese hoochte opgeclommen' door ons eigen initiatief.

De zompige achterstand van Amsterdam werd retorisch tot een voordeel omgebogen. De auteurs van dit boek die hun wetenschappelijke distantie moesten volhouden, konden dankzij dergelijke voorbeelden toch hun trots op Amsterdam laten blijken. En zo staat ook dit boek in de traditie van de oude stadsgeschiedschrijvingen. De laus urbium, de stedenlof, is geen leidend principe, zoals dat in de zeventiende eeuw gebruikelijk was, maar klinkt als ondertoon wel degelijk steeds door.

Marijke Carasso-Kok (red.): Geschiedenis van Amsterdam. Deel 1 Een stad uit het niets. Tot 1578. SUN, 540 blz. €39,50. Na 1 juli €49,50