Thatcher op de dansvloer getrokken

Schrijvers die in hun romans het kwaad onder ogen durven zien, worden moedig gevonden, maar moediger nog zijn de schrijvers die hun personages niet slecht maar domweg onsympathiek durven laten zijn. Alan Hollinghurst excelleert in fijnzinnig proza over nare Engelse mensen. Voor zijn nieuwe, grote roman, The Line of Beauty, heeft hij een milieu gekozen waaraan de meeste andere Britse schrijvers met opgetrokken neus voorbij zouden zijn gelopen: het huishouden van een gladde Tory-politicus in het Engeland van de jaren tachtig, de jaren van Thatcher en het ongegeneerde graaien, de jaren van achteloze rijkdom en verbeten hedonisme. De hoofdpersoon, Nicholas `Nick' Guest, is een jongen die tijdens zijn studietijd in Oxford boven zijn stand leert leven en verslingerd raakt aan de wereld van het gezin Fedden, dat hem een oneindige gouden toekomst lijkt te beloven. Nick koestert aanvankelijk een onmogelijke hartstocht voor zoon Toby, een gedachteloze atletische hetero – en trekt op zijn uitnodiging in in zijn ontzagwekkende ouderlijk huis in Kensington Gardens. De roman bestrijkt de vier jaar die de romance tussen Nick en dit gezin duurt – vier jaar waarin alle illusies in zijn leven hardhandig de nek worden omgedraaid.

Na Oxford studeert Nick literatuur in Londen. Zijn favoriete auteur is Henry James; en het is de oneindig subtiele geest van die schrijver die over deze roman heerst. James wist als geen ander de verborgen psychologische betekenissen van ogenschijnlijk oppervlakkige en oninteressante sociale milieus bloot te leggen. Dat is ook de rol van Nick Guest in The Line of Beauty, de observerende `gast', die deel uitmaakt van de wereld van de Feddens – tijdens een nogal hilarische scène trekt hij zelfs Thatcher de dansvloer op –, maar er nooit toe zal behoren. Die ambivalentie zet de roman onder spanning; Nick is hopeloos verliefd op Toby en zijn familie en verslaafd aan hun zwevende levens vol achteloze rijkdom en belangrijke connecties. De Feddens vertegenwoordigen zijn idee van schoonheid, en tegelijk geven zijn observaties Hollinghurst de gelegenheid om hun wereld fijntjes te fileren.

De jonge Nick is alle opzichten een buitenstaander. Hij komt uit een minder milieu – zijn vader doet in antiek en kent de huizen van de adel enkel en alleen omdat hij daar de antieke klokken komt opwinden – en hij is openlijk homo. In 1983, het jaar waarin de roman begint, beleeft hij zijn eerste steelse affaire met een zwarte jonge man, een relatie waarvan alleen de dochter des huizes, de uiterst moeilijk opvoedbare Catherine, op de hoogte is. Sinds zijn debuut, The Swimming-Pool Library, staat Hollinghurst bekend als een auteur die op een vanzelfsprekende manier over homoseks schrijft, maar dat doet hem tekort: hij schrijft meesterlijk over homoseksuele liefde, over de romantische verwachtingen, de harde desillusies, de ondraaglijke spanning van het onuitgesproken contact en het cynisme van de snelle consumptie. De aftastende affaire van Nick met Leo, die nog bij zijn zwaar godsdienstige moeder woont en wiens leven een schril contrast vormt met de glamoureuze wereld waarin Nick te gast is, is het intiemste en mooiste deel van de roman.

Vrij plotseling schuift het verhaal drie jaar verder, naar 1986, en Leo blijkt voorgoed uit zicht. Nick onderhoudt nu een verborgen relatie met een van zijn mooiste Oxford-vriendjes: Antoine `Wani' Ouradi, zoon van een Libanese multimiljonair die zich in het Engeland van Thatcher niet alleen rijkdom maar ook positie heeft weten te verwerven. De verwachtingsvolle romantiek van het eerste deel heeft plaatsgemaakt voor illusieloze berekening; Wani is officieel verloofd, zijn familie mag van niets weten. Zijn relatie met Nick is in alle opzichten clandestien; op ieder feest zonderen de jongens zich af om coke te snuiven en te neuken. Wani is een mooie, onaangedane figuur, die seksueel het beste uit de voeten kan met harde porno en trio's. De partijen die ze bezoeken vormen het decor van de triomf van het Thatcherisme; de glorieuze loopbaan van Nicks gedroomde surrogaatvader, Gerald Fedden, conservatieve MP voor Barwick, lijkt een gegeven. Op zijn gouden bruiloft verschijnt The Lady – zoals ze door alle dwepende snobs wordt aangeduid – in eigen persoon. Fedden laat er speciaal zijn groene voordeur blauw voor verven.

Hollinghurst is een te subtiele schrijver om de moralist uit te hangen. Hij volgt Nick onvoorwaardelijk in zijn overgave aan al die snobistische hoogmoed. Tegelijk laat hij geen gelegenheid ongebruikt om met stilistisch venijn het afgrondelijke cynisme van de Feddens en hun wereld bloot te leggen. Nicks verblijf aldaar is een rite de passage: van een romantisch, onbeproefd verlangen naar een leven vol schoonheid, naar een dieper, door ontnuchtering en verlies getekende liefde voor de wereld. Want de jaren tachtig blijken een zeepbel, Aids volgt de seksuele ontwaking van Nick Guest als een donkere schaduw. En het klatergoud van de Feddens verhult een afstotelijke morele corruptie.

Nick moet dat nog ontdekken, de schrijver Hollinghurst weet dat al, en de lezer ook – en daar begint iets te wringen in deze dikke roman. Omdat hij de illusies van zijn jonge hoofdpersoon – Nick is twintig als het boek begint – respecteert, verliest Hollinghurst zich met hem in alle details van de snobistische societybeslommeringen waaruit de wereld van de Feddens bestaat. Maar gaandeweg bekruipt je het gevoel dat de schrijver zelf zijn afstand niet weet te bewaren, dat hij zelf begint te zwelgen in het milieu dat hij op andere momenten zo genadeloos weet te ontmaskeren. Dan valt de dubbele laag weg en verwordt Hollinghursts proza tot hoogst amusant, camp-achtig geklets over de hogere kringen, een soort Evelyn Waugh light. De Feddens en hun doortrapte milieu zijn dan niet langer het onderwerp van een verzengende morele visie, zoals bij Henry James; op dat soort momenten wordt de schrijver zelf akelig oppervlakkig, ook al schrijft hij nog zo briljant. Bij het zoveelste feestje met bitsende lady's en opgezwollen mannetjesmakers en geile obers slaat de verveling – onverwacht – toe.

Dat leidt tot lastige vragen, zoals: hoe interessant is Nick Guest zelf eigenlijk? Hollinghurst lijkt moeite te hebben om zijn innerlijke ontwikkeling te beschrijven. In plaats daarvan krijg je die verschuivingen in de tijd; in het laatste deel van de roman, dat in 1987 speelt, blijkt zijn glanzende wereld plotseling ingestort: de minnaars sterven, hij wordt onderwerp van een tabloidschandaal, zijn gedroomde familie verstoot hem. De roman besluit dubbelzinnig met Nicks pessimistische verwachting over de uitslag van zijn derde Aids-test. Zijn leven in schoonheid is voorgoed voorbij, en altijd al een leugen geweest. Die ontnuchtering is voelbaar, en de weemoed ook, maar vreemd genoeg betrek je het schrijnende ervan eerder op jezelf, dan op de hoofdpersoon van The Line of Beauty. Die is, ondanks de heftige Werdegang die zijn auteur hem laat doormaken, na vijfhonderd bladzijden prachtig proza, nog altijd een eigenaardig onbeschreven blad.

Alan Hollinghurst: The Line of Beauty. Picador, 501 blz. €18,–