`Routekaart' is alibi geworden voor passiviteit

Moeten we Sharon maar op zijn woord geloven? De Israëlische premier houdt vol zijn leger samen met de joodse kolonisten uit de Gazastrook te willen terugtrekken, tegelijkertijd bombardeert datzelfde leger dagelijks het gebied terwijl bulldozers en tanks rijen woningen en gebouwen in de kampen van Palestijnse vluchtelingen met de grond gelijkmaken en duizenden bewoners dakloos maken.

Als Sharons plannen al onderdeel zijn van een vredesproces, zoals hij suggereert, dan zijn de bijverschijnselen op zijn zachtst gezegd merkwaardig. Amnesty International spreekt van oorlogsmisdaden, VN-secretaris-generaal Annan en de Europese Unie noemen het geweld in strijd met het internationale recht. Maar de volkerenorganisatie beperkt zich verder tot een tot niets verplichtende veroordeling. Iedere wezenlijke sanctie tegen Israël zou onmiddellijk door een Amerikaans veto worden getroffen.

Wat is de gedachte achter de Israëlische agressie? Het antwoord daarop is complex. Natuurlijk, in het algemeen worden acties verklaard als revanche voor één of andere kort tevoren gepleegde aanslag. Dat past in het beeld van de kettingreactie van wederkerige wraak en intimidatie die Palestijnen en Israëliërs nu al weer een viertal jaren in haar greep houdt en die buitenstaanders het hoofd doet afkeren.

Maar in dit geval wordt een tactische noodzaak als argument opgegeven. De schootvrije zone tussen Gaza en het aangrenzende Egypte moet worden verbreed om heimelijke bevoorrading van opstandelingen tegen te gaan. Een aanwijzing dat Israël het gebied ook na ontruiming in de militaire tang wil houden. De nederlaag van de regering in het recente Likud-referendum vraagt bovendien om een teken dat vertrek uit Gaza niet als een buiging voor Palestijns geweld mag worden uitgelegd zoals het vertrek uit Zuid-Libanon door de Hezbollah-militie als een overwinning werd opgeëist.

Het was dan ook lichtelijk bizar om, onder de gegeven omstandigheden, mevrouw Rice, adviseur van president Bush, een eventueel Israëlisch vertrek uit Gaza als een historisch moment, een grote kans in het vredesproces te horen kwalificeren. Zij deed dat tijdens een onderhoud in Berlijn met de Palestijnse premier Qurie. Rice meende dat de Palestijnen nu een krachtige minister-president nodig hebben die de ordetroepen onder zijn gezag brengt. Dat gezag zal opbouw, scholing en uitrusting moeten bevorderen, precies de elementen die de afgelopen jaren bij herhaalde Israëlische invallen en beschietingen in Gaza en op de westelijke Jordaanoever vernietigd zijn.

Het is duidelijk waar het de Amerikanen om gaat: de oude leider Arafat verder uitschakelen en vervangen door een volgzamer figuur die er werk van maakt de terroristische bewegingen te liquideren. De Israëlische bombardementen worden nu weliswaar veroordeeld, maar passen in de tactiek van intimidatie van wat is overgebleven van het gewapende Palestijnse verzet.

De internationale gemeenschap volgt in wezen in dit Amerikaanse spoor. De zogenoemde road map, de routekaart naar vrede, is al lang verworden tot alibi om, geconfronteerd met een escalerende geweldsspiraal, passief te kunnen blijven. In het raamwerk van de routekaart kan het geweld in Gaza nog net worden uitgelegd als voorbereiding van een Israëlisch vertrek, als een hindernis die nog moet worden genomen alvorens duurzame vrede in het verschiet komt te liggen. Ten slotte wordt begrip opgebracht voor Israëls behoefte aan veiligheid. Dat de veiligheid van de Palestijnse bevolking daaraan dagelijks wordt opgeofferd, wordt veroordeeld, maar vervolgens toch op de koop toe genomen.

Het is het resultaat van een geesteshouding die ook al zichtbaar was in de reactie op recente uitspraken van Bush. De Amerikaanse president beloonde Sharons aankondiging Gaza te willen opgeven, met de belofte dat op de westelijke Jordaanoever wel enige joodse nederzettingen zouden mogen blijven. Kort daarna liet hij weten dat de in de routekaart voorgenomen periode binnen welke de vorming van een Palestijnse staat werkelijkheid moet worden, niet echt vastligt. Internationaal klonk enig gemor na deze fundamentele breuk met traditioneel Amerikaans beleid. Daarbij bleef het.

Als exit strategy uit de impasse dient het omfloerste: pas in de eindfase van het vredesproces wordt alles vastgelegd. Het verloop van de onderlinge grenzen, de mate van soevereiniteit die een Palestijnse staat wordt toegekend, de status van Jeruzalem, terugkeer van vluchtelingen naar de woonplaats van hun voorouders, het zal allemaal eens ter sprake komen. Dat zou betekenen dat wat nu gezegd wordt, niet bepalend zal zijn voor de toekomst. Overigens deed juist Rice twijfel rijzen aan de waarde van dit vooral in Europa populaire sussende voorbehoud toen zij in de Duitse hoofdstad verklaarde dat de Palestijnen zelf ook wel weten dat van een terugkeer van vluchtelingen naar hun oorspronkelijke woonplaatsen geen sprake kan zijn.

De geschiedenis leert dat in de Palestijns-Israëlische confrontatie geen dynamiek bestaat, die een voor alle partijen bevredigend resultaat als konijn uit de hoed tevoorschijn zal toveren. De ervaring van president Clinton spreekt in dat opzicht voor zichzelf. Vertrouwen in het `proces' kan op grond van die ervaring niet groot genoeg zijn om de ontsporingen van het moment als bagatel, als tijdelijk maar te overwinnen obstakel terzijde te schuiven. En toch is dat wat de internationale gemeenschap doet.

De beslissende woorden zijn al gevallen: een Amerikaans veto of de dreiging daarmee. Dat verlamt de Verenigde Naties en dat maakt de andere leden die er toe doen sprakeloos, en vooral volgzaam. De idee dat ook buiten de VN internationaal leven bestaat, blijft beperkt tot het grondgebied van de Verenigde Staten. Toegegeven moet worden dat voor staten van de tweede en de derde grootte de volkerenorganisatie een belangrijk platform is. Maar dat is slechts het geval voor zover zij ook als platform gebruikt kan worden, als plek waar die staten gehoord en gerespecteerd worden, waar zij hun zienswijze en argumentatie met gezag naar voren kunnen brengen.

De werkelijkheid is inmiddels een andere. Het recht van de sterkste telt in de VN. Wie niet met ons is, is tegen ons, luidt het motto waarnaar nog altijd wordt geleefd. Naar wie niet onvoorwaardelijk met de Amerikanen is, wordt niet geluisterd. Met dankbaarheid stellen de aldus geschoffeerden vast dat de Palestijnse leider Arafat door Washington nog niet vogelvrij is verklaard. De internationale gemeenschap kan heel lang met een heel klein lepeltje gevoed en tevreden gehouden worden.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.