Nieuwe wegen in Parijs

De lente brengt een ander geluid in Parijs. Na de regionale verkiezingen die voor de regeringspartij van president Chirac dramatisch zijn verlopen, heeft in het Franse kabinet een stoelendans plaatsgevonden. Nicolas Sarkozy schoof van het ministerie van Binnenlandse Zaken naar het ministerie van Financiën. Sarkozy is door zijn daadkrachtige optreden als minister van Binnenlandse Zaken uitgegroeid tot de populairste politicus van rechts in Frankijk en hij is een waarschijnlijke kandidaat om het op te nemen tegen Chirac in de presidentsverkiezingen in 2007. Wat hij op Bercy, het Franse ministerie van Financiën, in beweging zet, wordt in hoge mate gekleurd door zijn politieke ambities. Sarkozy lijkt vast van plan om Frankrijk uit zijn economische malaise te trekken, slepende conflicten met de Europese Unie bij te leggen en tegelijkertijd de Franse nationale identiteit te versterken.

Om met dat laatste te beginnen: Sarkozy staat op het punt een akkoord te bereiken met de Europese Commissie om Alstom, het noodlijdende Franse industriële conglomeraat van kapitaalgoederen (hogesnelheidstreinen en stroomturbines) te redden. Brussel is allergisch voor staatssteun, maar Sarkozy zet door, want het is, zoals hij aankondigde, domweg ondenkbaar dat een Frans bedrijf met de omvang en werkgelegenheid als Alstom ten onder zou gaan. Een voorstel om de turbinedivisie onder te brengen bij de Duitse rivaal Siemens heeft Sarkozy afgeschoten. Zoals hij enkele weken eerder in een farmaceutische prestigeslag had bewerkstelligd dat het Franse bedrijf Sanofi het Frans-Duitse Aventis kon overnemen en het rivaliserende bod van het Zwiterse bedrijf Novartis op Aventis werd afgewezen. Frankrijk koestert zijn nationale industriële iconen.

De Franse en Duitse regeringsleiders, Chirac en Schröder, hebben vorige week afgesproken dat ze streven naar de vorming van Europese (lees: Frans-Duitse) industriële kampioenen die het kunnen opnemen tegen Amerikaanse conglomeraten. Sarkozy lijkt met zijn plan om delen van Alstom niet samen te voegen met Siemens uit op een politieke krachtmeting met Chirac. Zijn nationale aanpak doet het waarschijnlijk goed bij de Franse werknemers en botst met de Europese ambities van de president. Maar staatssteun is een slechte manier van industriepolitiek en de koestering van industriële kampioenen druist in tegen de open Europese markt.

Sarkozy neemt ondertussen ook op het gebied van het Franse binnenlandse financieel-economische beleid doortastende standpunten in. De 35-urige werkweek, een erfenis van het socialistische kabinet van premier Jospin en door Franse werkgevers als een van de aanjagers van de hoge arbeidskosten en starheid van de arbeidsmarkt beschouwd, is niet langer heilig. In een interview met het dagblad Le Figaro zinspeelde Sarkozy erop dat van de 35-urige werkweek afgestapt kan worden. Eerder zei hij op een persconferentie dat hij het Franse begrotingstekort, voor het derde achtereenvolgende jaar boven de Europese grens van 3 procent van het bruto binnenlandse product, wil terugdringen. Hiermee maakt hij een einde aan de openlijke minachting van zijn voorganger voor de regels van het Stabiliteitspact voor begrotingsdiscipline.

Dit zijn welkome geluiden uit Parijs. Dergelijke maatregelen kunnen de Franse economie versterken en daarmee de Europese economie vooruithelpen. Sarkozy heeft drie jaar om te laten zien dat hij in staat is zijn voornemens uit te voeren. Daarna wachten de presidentsverkiezingen.