Met de klusjesman knutselen aan de kunstlong

In 1929 ontving Christiaan Eijkman de Nobelprijs voor geneeskunde vanwege zijn onderzoek naar vitamines. Dat was de laatste keer dat deze eer aan een Nederlandse medicus te beurt viel. Sindsdien zijn er uiteraard wel voordrachten gedaan, maar geen enkele daarvan werd gehonoreerd. Ook Willem Johan Kolff (1911) greep ernaast, toen hij vorig jaar door de Nederlandse regering kandidaat werd gesteld. Vanuit Amerika was dat al minstens twee keer eerder gebeurd. Vooral in 1997 moet Kolff er dichtbij hebben gezeten, maar tijdens een dineetje met het selectiecomité, zo gaat het verhaal, verknalde hij zijn kansen door stennis te maken over een fles wijn.

Kolff? Heel Nederland had er van opgekeken, als hij vorig jaar had gewonnen. Want wie is Pim Kolff en wat zijn zijn verdiensten? In antwoord op die vragen schreef de journalist Herman Broers het boek Dokter Kolff. Kunstenaar in hart en nieren. Broers kwam een aantal jaren geleden met Kolff in contact toen de laatste vanuit Amerika even zijn oude woonplaats Kampen aandeed om zich in te zetten voor het behoud van het Stadsziekenhuis. Daar ligt de basis van Kolffs succesvolle carrière als ontwerper van kunstmatige organen.

Boers sprak diverse keren met Kolff, inmiddels in de negentig, bijna blind en bijna doof, maar nog steeds alive and kicking, en voerde eveneens gesprekken met gezinsleden en voormalige medewerkers. Broers is duidelijk onder de indruk van de enorme werkkracht en de doelgerichte gedrevenheid van deze arts, verzetsman en wetenschappelijke knutselaar. En die zijn ook imposant. Zijn boek was echter wel gebaat geweest bij wat meer afstand. Hij blijft dicht op de huid van de gebeurtenissen en als Kolff ergens niet meer over wenst te spreken, doet ook Broers er verder het zwijgen toe. Gelukkig blijft er nog genoeg interessants over en is Dokter Kolff – het ontzag klinkt al in de titel door – wel een vaardig geschreven en onderhoudend boek geworden.

De eerste grote uitvinding van Kolff was de kunstnier. Geconfronteerd met de medische onmacht aan het sterfbed van nierpatiënten was hij niet de eerste die probeerde een apparaat te bedenken dat de taak van de nieren – het bloed te zuiveren van afvalstoffen – zou kunnen overnemen. Ook bij eerdere pogingen werd al gebruik gemaakt van het principe van de dialyse: de verplaatsing van moleculen van de ene naar de andere vloeistof via een halfdoorlaatbaar membraan. Dat betekent dat het bloed buiten het lichaam om langs een membraan moet worden geleid dat de giftige deeltjes doorlaat. Die komen terecht in de spoelvloeistof waarna het gezuiverde bloed weer terug in de bloedbaan wordt geleid. Eerdere pogingen om dit voor elkaar te krijgen waren telkens vastgelopen op twee problemen: het ontbreken van een geschikt membraan en de stolling van het bloed buiten het lichaam.

Als Kolff zich in de oorlogsjaren in Kampen met de kunstnier gaat bezighouden, is voor beide problemen een oplossing voorhanden: cellofaan, een grootschalig en industrieel te produceren membraan, en het middel heparine als antistollingsmiddel. Al snel heeft Kolff een machine in elkaar gezet die echter de eerste keer dat er een patiënt op aangesloten wordt, technische mankementen blijkt te vertonen: de motor valt uit en er ontstaat lekkage in de verbindingen. De patiënt sterft nog dezelfde avond.

Ondanks materiaalschaarste – het cellofaan is inmiddels vervangen door worstenvellen – en verslechterende werkomstandigheden, lukt het Kolff en zijn assistent Bob van Noordwijk een verbeterde kunstnier te produceren. De doorbraak komt in september 1945, als de nieren van patiënte no. 17 zich na een langdurige maar geslaagde dialyse herstellen en de urineproductie weer op gang komt. Sofia Schafstadt, een wegens collaboratie gedetineerde vrouw, is de eerste mens wier leven door Kolffs kunstnier wordt gered.

In Nederland is de ontvangst van deze wereldprimeur aanvankelijk nogal lauw. In de Verenigde Staten is dat anders, Kolff wordt er tijdens een tournee als uitvinder gelauwerd en zijn vinding wordt omarmd als een levensreddende techniek. Kolff zelf, inmiddels met zijn gezin naar de VS geëmigreerd, ontwikkelt in de jaren vijftig met behulp van conservenblikjes nog een wegwerpmodel, en een apparaat voor thuisdialyse dat is ingebouwd in een normale wasmachine. Maar met zijn hoofd is hij inmiddels al bij een volgend project: de ontwikkeling van een machine die de taken van hart en longen kan overnemen, zodat deze tijdelijk kunnen worden stilgezet ten behoeve van open hartoperaties. De wedloop om de eerste succesvolle toepassing van de hart-longmachine wordt niet door Kolff gewonnen, maar hij levert er wel een wezenlijke bijdrage aan. Langzamerhand ontwikkelt het gebruik van kunstmatige organen zich tot een eigen discipline – met de Cleveland Clinic, waaraan Kolff verbonden is, als spil. In 1967 verhuist hij naar de Universiteit van Salt Lake City om daar hoofd te worden van een nieuwe afdeling voor kunstmatige organen. Kolff weet jaarlijks miljoenen aan overheidssubsidie en sponsorgeld binnen te slepen. Zijn belangrijkste project is de ontwikkeling van een kunstmatig hart, waarvoor Kolff ook na de eerste geslaagde harttransplantatie door Christiaan Barnard in Zuid Afrika nog een toekomst ziet weggelegd vanwege het onoplosbare tekort aan donorharten en ter overbrugging van de wachttijd.

De kracht van Kolff schuilt volgens Broers in de mix van medici en technici die hij weet samen te brengen – in die tijd nog ongebruikelijk. Zijn team slaagt er na veel experimenteren in om dieren met een geïmplanteerd kunsthart langdurig in leven te houden. Zij leiden een normaal leven, al slepen ze vanwege de uitwendige aandrijving van het hart wel permanent een zware machine op een karretje achter zich aan. Begin jaren tachtig kan de overstap naar de mens worden gemaakt. De stervende hartpatiënt Barney Clark stelt zich voor dit waagstuk ter beschikking. Na een kleine vijf uur opereren is zijn hart vervangen. Maar al snel wordt duidelijk dat zijn verzwakte organen het tempo van de nieuwe motor niet meer bijhouden. Na 112 dagen legt Clark alsnog het loodje terwijl zijn kunsthart onverstoorbaar doortikt.

Een en ander voltrekt zich onder een enorme mediabelangstelling. De ingreep stuit op onverwacht grote emotionele weerstanden en ethische bezwaren. Onder invloed van alle publiciteit en de snel toenemende commerciële druk ontstaan bovendien conflicten waardoor Kolffs team uit elkaar valt. Hijzelf, inmiddels 72, wordt na een machtsgreep van een van zijn eigen medewerkers aan de dijk gezet. Het is een persoonlijk drama, maar niet het einde van zijn actieve loopbaan. Kolff is op hoge leeftijd nog zijdelings betrokken bij de ontwikkeling van de kunstarm en het kunstoog. Tussen de bedrijven door koestert hij zich in de prijzenregen die op hem neer begint te dalen. Zijn Amerikaanse bejaardenwoning gebruikt hij als kantoortje en hij knutselt er samen met de klusjesman van het tehuis aan een soort vest met een pompje: de draagbare kunstlong.

Herman Broers: Dokter Kolff. Kunstenaar in hart en nieren. Mets & Schilt, 239 blz. €25,00