Méékijken

Rechtstreeks aangekeken worden vinden dieren onbeleefd, als ze je niet goed kennen. Je kunt beter iets anders doen. Met ze méékijken.

Het is een stuk leuker dan televisiekijken. En het is nog gezellig ook.

Er was ooit een Duitser die dat heel goed kon. Meekijken. Dat was nog in de tijd van woeste leeuwen en mensenschuwe tijgers in dierentuinen. Die kwamen regelrecht uit het wild. Niemand kon wat met ze. Maar hij werd er juist snel vrienden mee.

Zo op het oog deed hij niets bijzonders. Niets anders dan bij ze zitten, aan de andere kant van de tralies. Geen gedoe met aandacht trekken, of met een raar stemmetje praten, zoals mensen vaak tegen dieren doen. Nee, gewóón – stil zitten, en voor zich uit kijken.

Maar als die leeuw schrok van een geluid – zoals een rammelende kruiwagen – en daarnaar opkeek, keek hij méé. Als zo'n tijger smakkend keek naar een mals kindje dat voorbij kwam, keek hij méé.

Probeer maar. Na een tijdje krijg je dan dat zo'n wat eenzame tijger even naar jou kijkt, met een blik opzij: ,,Hé – jij bent een beetje als mijn.'' (Tijgers zijn niet zo goed in taal.) Die allenige leeuw leeft ook op: ,,Jij vindt hetzelfde belangrijk – met jou kan ik wat.''

Ook grote katten hebben namelijk maar een klein hartje. Vooral als ze bang of nerveus zijn, gaan ze zich samen met jou wat sterker voelen. Twee is meer dan één, en twee zien meer dan één. Dat geeft een veilig gevoel. Geen wonder dat ze jou op een gegeven moment graag zien aankomen. Je bent handig om in de buurt te hebben, een medewezen. Dan kunnen ze heel vertrouwd met je raken.

Invoelen, heet die aardige truc. Je verplaatst je in die dieren, en kijk – ze gaan jou juist als persoon zien. Als een medewezen. Ik heb het wel bij andere dieren in de dierentuin geprobeerd, en als ze van gezelligheid houden werkt het echt. Dat merk je als je het eens verandert. Als jij dan ergens heenkijkt, kijken zij opeens met jou mee – want daar is vast iets boeiends. Het is leuk, om zo als gewaardeerd mededier gezien te worden.

Bij gewonere dieren heb je er ook wat aan. Kijk je, of snuffel je af en toe eens belangstellend met een hond mee, dan leert hij je sneller aardig vinden. En richt hij zich sterker op jou. Als je het goed doet, lukt het met een paard ook.

En dan kun je het omgekeerde deel van de truc gaan gebruiken. Dat is het Meekijken voor Gevorderden – juist eens niét meekijken. Is je hond overdreven bang voor jongetjes met vuurwerk? Zelf juist niet naar kijken, doe alsof die ettertjes er niet zijn. Schrikt je paard vaak van heel gewone dingen (dikke duiven, huppelende lammetjes, stoepranden)? Juist niet meekijken. Zelfs niet vanaf z'n rug, want dat merkt hij.

Als je het maar vaak genoeg niet doet, krijg je soms wat je wilt. Dan denkt zo'n hond of paard: ,,Niks aan de hand zeker, het zal wel weer aan mijn liggen.'' (Nee, ook honden en paarden zijn niet zo goed in taal.) En zo'n dier wordt net iets makkelijker. Ook voor zichzelf.

En dat gewoon door goed uit je doppen méé te kijken – en dan weer niet.

Met goudvissen is het, geloof ik, nog niemand gelukt.