Lesuur van één uur is waanzin

Het onderwijs is voor politiek Den Haag een belangrijke aangelegenheid, en heeft voor alle partijen grote prioriteit. De algemeen heersende mening bij die partijen is dat scholen meer keuzevrijheid moeten krijgen. Maar wat als schoolleidingen met de school een verkeerde kant op willen?

Zoiets heb ik zelf kortgeleden ondervonden. De schoolleiding van mijn school, het Vossiusgymnasium in Amsterdam, bedacht namelijk zonder enige aanleiding een drastisch vernieuwingsplan: de lesuren, die nu 45 minuten duren, zouden 60 minuten moeten gaan duren. Dat bracht wel met zich mee dat vakken minder lesuren kregen, waardoor met passen en meten bepaalde vakken slechts in een deel van het jaar zouden worden gegeven, maar dan wel met verhoogde intensiteit.

De meeste mensen op de school die daadwerkelijk iets met het geven of volgen van onderwijs te maken hadden, vonden dit een slecht plan. De argumenten daarvoor waren duidelijk: niemand heeft behoefte aan langere lessen, omdat je het meest geconcentreerd bent aan het begin van de les, en na 45 minuten geconcentreerd zijn op één onderwerp, willen zowel leraren als leerlingen wel eens wat anders. Verder zou in het nieuwe systeem minder ruimte zijn voor herhaling, terwijl iedereen het er over eens is dat je iets pas leert als je het herhaalt. Maar de allerbelangrijkste vraag was: vanwaar eigenlijk dit plan? Deze school heeft prachtige eindexamenresultaten en het kennisniveau van studenten die van het Vossius komen is uitstekend.

Deze fundamentele vraag is door de schoolleiding nauwelijks beantwoord. Wel werden krampachtig aandoende argumenten naar voren gebracht. Zo zou de algemene rust bevorderd worden, en zouden langere lessen leiden tot het verwezenlijken van bureaucratische hoogstandjes als `Diepte naast Breedte' en `Kunde naast Kennis'. Zo kunnen bij elk plan wel van dat soort abstracte wijsheden worden geformuleerd, maar dat heeft niets meer met de dagelijkse realiteit te maken. Het lijkt er dan ook op, dat alle didactische bezwaren worden genegeerd, omdat het organisatorisch toevallig handig uitkomt dat een rooster andere tijden heeft.

De uitslag van peilingen over het voorstel, die de leerlingen wegens onwil van de schoolleiding deels zelf moesten organiseren, was negatief. Omdat de schoolleiding hier toch iets mee moest, kwam ze op het volgende lumineuze idee: het voorstel alsnog uitvoeren, maar het nu een `experiment' noemen, in de wetenschap dat een meerderheid na een jaar toch eieren voor zijn geld kiest, aangezien ze één drastische verandering wel genoeg vinden.

Hoe kan het nu dat als een schoolleiding iets tegen beter weten in wil, en daar enkele maanden met constructieve geprekken en creatief getitelde voorstellen omheen praat, haar zin krijgt, met als gevolg dat goede leraren minder gemotiveerd worden om leerlingen iets te leren? Drie mensen met een tekentafel kunnen kennelijk alle ervaring en kennis van een groot lerarenkorps de baas.

De politiek wil de keuze aan `de scholen' zelf laten. Maar wat of wie zijn die scholen? Verkapte bureaucraten in een leidinggevende positie, of mensen met hart voor het onderwijs? Heeft keuzevrijheid van de school nog wel nut als die vrijheid aan de verkeerde mensen is voorbehouden?

Jacob Zwaan zit in de vierde klas van het Vossiusgymnasium in Amsterdam.