Korpschef machtiger dan wet toestaat

Korpschefs hebben veel meer invloed op de werking van de politie dan zij volgens de Politiewet mogen hebben. Er gaapt een brede kloof tussen de wet en de werkelijkheid bij het beheer en gezag over de politie. Dat blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit en de B&A-groep voor het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap.

Bij besluiten over de organisatie en de financiën van de politie, maar ook over het beleid en de concrete inzet van mensen en middelen bij de misdaadbestrijding heeft de korpschef meer macht dan de korpsbeheerder (de burgemeester van de centrale gemeente in een politieregio), de hoofdofficier van justitie en het regionaal college van burgemeesters, zo blijkt uit het onderzoek onder burgemeesters, officieren van justitie en politiechefs.

De zeggenschap over inzet van mensen en middelen in het politiewerk ligt officieel niet bij de korpschef, maar bij de burgemeester en de officier van justitie. In werkelijkheid zijn de korpschefs ,,met voorrang de meest invloedrijke functionaris'', de ,,spil van het bestel'', zo staat in het rapport `Paradoxaal Politiebestel'. ,,Alle betrokkenen vinden dat het bestuur het primaat zou moeten hebben (...), maar de praktijk leert anders''.

Opvallend is ook dat de betrokkenen vinden dat gezag, bestuur en beheer van de politie, die nauwkeurig worden onderscheiden in de Politiewet, ,,volstrekt door elkaar heel lopen''. Bovendien werkt het onderscheid tussen gezag en beheer in de praktijk niet, aldus de ondervraagden.

Verder blijkt dat het regionaal college van burgemeesters in een politieregio in de praktijk maar weinig invloed heeft op het beheer en het financiële en organisatorische beleid van de politie, terwijl het volgens de wet een belangrijke rol zouden moeten spelen.

De verhoudingen tussen politie, bestuur en justitie zien er ,,fundamenteel'' anders uit dan de wet voorschrijft, aldus de onderzoekers.

Overigens vinden de korpschefs volgens het onderzoek dat de korpsbeheerder ,,,,net iets te veel invloed heeft''. Hoofdofficieren van justitie, zo vinden zij, hebben te weinig invloed, maar een groot probleem lijken de betrokkenen daarmee niet te hebben.

Wel valt op dat de ondervraagden vinden dat de korpsbeheerders een ,,problematische'' positie hebben door hun dubbelrol, waarmee de centrumgemeente in een politieregio wordt bevoordeeld. Zij zijn als burgemeester van de centrumgemeente in hun politieregio verantwoordelijk voor het beheer van de politie in de hele regio, maar ook voor de openbare orde in hun eigen gemeente. ,,Korpsbeheerders hebben zich niet weten te ontwikkelen tot bestuurders voor de hele regio'', aldus de onderzoekers.

Bij de reorganisatie van de politie in 1994 tot 25 regiokorpsen werden het gezag en het beheer verdeeld over de burgemeesters, verantwoordelijk voor de openbare orde, en de officieren van justitie, die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van criminaliteit.