Kookhuis in ieval

De meeste Nederlanders weten nog wel wat een donderpreek is. De dominee maakte hoog op de kansel dubbel en dwars duidelijk dat de kerk vol zondaren zat, en dat hel en verdoemenis onvermijdelijk waren als er niet onmiddellijk boete werd gedaan. De gemeente antwoordde met gebed en dankbaar psalmgezang en wat daarna gebeurde doet hier niet terzake. Behalve wat de gelovigen na de dienst tegen elkaar zeiden. De dominee heeft weer prachtig gepreekt. Als fundamenteel ongelovig opgevoed kind heb ik dat nooit zelf meegemaakt, maar de radio, op zondagochtend, gaf een goede indruk. En Rijk de Gooyer, van gereformeerde afkomst, kon in het café zo'n dominee indrukwekkend nadoen.

Onder intellectuelen hadden de dominees niet direct een slechte naam, maar ze werden wel met een mengsel van ironie en vriendelijke afkeuring bekeken. De oorzaak was dat ze het er dik bovenop legden, de akoestiek van het kerkgebouw wisten uit te buiten en daarbij iets in hun intonatie konden leggen waardoor ze lieten blijken dat ze het monopolie van de braafheid hadden. Het klonk zalvend. Dat wilden de intellectuelen niet. Afscheid van domineesland, schreef Menno ter Braak. En Eddy du Perron: ,,De Fransen beheersen de retoriek; de Nederlanders lijden eraan.'' Al veel eerder had Nicolaas Beets gerijmd: ,,Geen orgeltoon, Maar uw persoon!''.

Met de ontkerkelijking waren we van dat probleem af. Maar daardoor is ook het einde van onze retorische traditie naderbij gebracht. Ik blijf het jammer vinden. In Amerika heeft de retoriek op z'n minst drie wortels: de kerk, de Italianen en de rechtspraak. De voorstelling van een dominee als Pat Robertson – overigens als zware zondaar door de mand gevallen – was een genot. Een film die bijna helemaal uit een rechtszaak bestaat, requisitoir, pleitrede, kruisverhoor, Objection Your Honour, is in Hollywood geen uitzondering. Bij een politicus denk ik meteen aan Mario Cuomo, destijds gouverneur van de staat New York, en dan in het bijzonder aan zijn rede tegen Ronald Reagan. En nu weer de hearings, over de massavernietigingswapens, de FBI en de CIA, en de toestanden in Irak. Die mensen kunnen uit hun woorden komen.

Zelfs de president, verre van een meeslepend spreker, slaagt erin zijn boodschap duidelijk af te leveren. En nu, afgezien van de vraag of we het met de inhoud eens zijn, is het de moeite waard eens goed na te gaan hoe hij het doet. Hij werkt met de herhaling van de eenvoud en bouwt op een gegeven dat in Amerika niemand in twijfel durft te trekken: het christelijk geloof. Geen rede van Bush zonder God en de Boze. Zo kan het natuurlijk ook. Ik vind het niet boeiend, geen retorische kunst, maar het heeft de afgelopen drie jaar wel gewerkt, en dat is tenslotte het enige wat telt in de politiek.

Ontkerkelijking is één oorzaak van het verval van de redenaarskunst in Nederland. Een andere is de behoefte aan consensus, niet alleen in de politiek. Voor iedereen die met enige regelmaat in het openbaar een woordje moet laten horen, is het onverstandig eens flink retorisch tekeer te gaan, want: de volgende dag moet je met degene die je met de grond gelijk hebt gemaakt, weer aan tafel om overeenstemming te bereiken. Je wantrouwt dat type wel, je haat hem/haar, maar je moet nu eenmaal samen zoals jullie daar zitten, in volle overtuiging je schouders eronder zetten. Je blijft de pest aan elkaar hebben, maar de plicht tot consensus doet het retorisch gevecht verschrompelen tot onzichtbare haatdragendheid.

Natuurlijk heeft zo'n traditie van consensus zijn invloed op de taal. Over het gewatteerde, ontwijkende, alle kanten op kunnende politiek Den Haag Nederlands heb ik nu zoveel geschreven dat ik het niet meer doe. Geen dodelijker dier voor de columnist dan het stokpaard.

Mijn stelling is dat de televisie de trekken in een volkskarakter scherper doet uitkomen. Zo heeft de consensusmens (die veel ouder is dan wat we nu minachtend `de polder' noemen) hier een reuzenformaat gekregen. Intussen had ook de enige natuurlijke redenaar, de dominee, zijn macht verloren. Een uitzending van een kerkdienst drukt de kijkcijfers. Als de spreker in het openbaar vrijwel niet meer voor de massa's hoeft te verschijnen, niet meer in een adembenemende reeks van volzinnen de tegenstander moet vernietigen (zoals Cicero de verrader Catalina uit de Romeinse senaat verjoeg), ja, wat moet je dan nog met je woordkeus, je zinsbouw, je articulatie!

Onlangs, op een belangrijk moment in de vaderlandse geschiedenis, kwam minister-president Balkenende op de televisie. In de loop van zijn korte rede zei hij een paar keer `ieval'. Toen bracht hij het `kookhuis' ter sprake. Ieval? Kookhuis? Hij sprak over het koninklijk huis. In ieval wil zeggen: in ieder geval. Dat ik hier onze premier noem, heeft geen politieke bedoeling. Ik beschouw hem in dit verband als exemplarisch, omdat hij, in de christelijke traditie opgevoed, waarschijnlijk nog met het traditionele preken, in zijn politieke carrière heeft kunnen volstaan met a-retorisch, soms zelfs frommelend spreken. Niet de heer Balkenende persoonlijk bedoel ik, of de heer Donner, maar het feit dat ze carrière hebben gemaakt in de Nederlandse politiek, in het tijdvak van ik zeg wat ik denk. Draai eens in het programma Andere tijden meteen achter elkaar een fragmentje Dries van Agt en een fragmentje Balkenende af. Dat is een aanhoorlijke demonstratie van hoe het retorisch Nederlands zich ontwikkelt.