`Het Veer' als leidraad

Het Rijksmuseum is dicht, tot 2008. Intussen wordt nagedacht over een nieuwe opstelling van de collectie. Het Cultureel Supplement denkt mee en laat de komende jaren een reeks kunsthistorici uit binnen- en buitenland hun visie geven op de ideale presentatie.

Als eerste: Rudi Fuchs. ,,De Nederlandse onafhankelijkheid leidde ook tot een nieuwe manier van schilderen.''

De stijl waarin het Catshuis onlangs is gerestaureerd en opgeleukt – design grand café – laat zien dat in Nederland het aanzien van de geschiedenis ernstig wankelt. Het is dan ook zinvol dat Jan Marijnissen, leider van de Socialistische Partij, eind vorig jaar voorstelde om een nationaal historisch museum te stichten. Toen zich daarna een debat begon te ontspinnen over de voordelen en gevaren van zo'n instituut, herinnerde ik me een avond die het Rijksmuseum een paar jaar geleden heeft georganiseerd in de Beurs van Berlage. Er zou in den brede moeten worden gediscussiëerd over de toekomst van de Afdeling Geschiedenis van het Rijksmuseum. Het debat werd geleid door Adriaan van Dis. Ook was een aantal personen gevraagd de discussie aan de gang te houden.Ik was één van die gelukkigen.

Het probleem was, geloof ik, dit: in het kader van zijn algehele vernieuwing was het Rijksmuseum gaan nadenken, en dus twijfelen, over het voortbestaan van de afdeling Vaderlandse Geschiedenis. Die was ook niet erg opwindend. Maar bij alle objecten en schilderijen en landkaarten die er allemaal wat vroom tentoongesteld werden, konden wel mooie en opbeurende of juist kritische verhalen worden verteld. De vraag is echter welk verhaal de hoofdlijn vormt die alle dingen en details bij elkaar op koers houdt. Ik heb dat wel vaker beweerd: een museumopstelling is een verhaal vertellen – en op die avond in de Beurs had ik het daar ook weer over. Toen zei iemand, ik geloof van de kant van het Rijksmuseum, dat Nederland eigenlijk toch maar een kleine geschiedenis had. Of dat werd bedoeld in vergelijking met, bijvoorbeeld, Engeland of Frankijk, weet ik niet meer. Misschien werd het gezegd omdat in het Rijksmuseum de gedachte was ontstaan de historische voorwerpen, die nu in de speciale afdeling bijeen waren, verspreid te gaan plaatsen tussen de kunstwerken – in één algemene opstelling. Dan kon het probleem zich gaan voordoen, wellicht, dat de historische voorwerpen te nietig zouden lijken bij de kleurrijke en stralende kunstwerken.

Ik denk helemaal niet dat onze geschiedenis klein is; en ik vroeg het gezelschap zich te herinneren dat de eerste grote geschiedenis van de Nederlandse Opstand was geschreven door een Amerikaan, John Lothrop Motley, en gepubliceerd in 1856, The Rise of the Dutch Republic. ,,Het schitterende rijk van Karel V was gevestigd op het graf van de vrijheid'', schreef Motley in zijn voorwoord, ,,en het is een troost daarna de geleidelijke maar triomfantelijke wederopstanding van de vrijheidsgeest weer te zien.''

Dat was wat een Amerikaan tachtig jaar na de eigen Onafhankelijkheidsverklaring in dankbaarheid bewonderde. Want hij schreef ook dat de Nederlandse opstand de idee had aangetoond dat een natie zijn onderdrukte vrijheid kan herwinnen en, zogezegd, een democratie kan worden gebaseerd op principes van recht en rechtvaardigheid. Aan het slot van zijn magistrale werk (waarvan men nog eens een nieuwe Nederlandse vertaling zou mogen verwachten) legt Motley dan ook een direct verband met 1776 in Amerika als hij de preambule van onze Acte van Verlaatinge (1581) bespreekt.

In dat adembenemende document, waarin de provisorische Staten-Generaal der Zeven Provincies de Nederlandse onafhankelijkheid proclameren, staat dat iedereen weet dat een vorst door God is bestemd om voor zijn onderdanen te zorgen, zoals een herder over zijn kudde hoedt. Als echter de vorst het volk onderdrukt en het zijn oude vrijheiden ontneemt, dan is hij niet langer een vorst maar een tiran – en dan hebben de Staten het volste recht hem af te zetten. In de Christelijke wereld van toen, zegt Motley, was die overtuiging en redenering niets minder dan godslastering. Maar dezelfde woorden vinden we terug in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring waarin Thomas Jefferson de wereld uitlegt waarom hun provincies het volste recht hebben zich van de Britse Kroon los te maken.

De Nederlandse geschiedenis een kleine geschiedenis? ,,De opkomst van de Nederlandse Republiek was een van de baanbrekende gebeurtenissen van de nieuwe tijd'', zei Motley. Hij was trouwens niet de enige. Ook de dichter Friedrich Schiller publiceerde, in 1788, een serieus maar nu minder bekend werk: Geschichte des Abfalls der Vereinigten Niederlande von der Spanischen Regierung. Het is een minder documentair boek dan dat van Motley. Schiller was dichter, de jongere vriend van Goethe – maar moderner, liberaler, bezield met een romantische vrijheidsdrang. Het was zijn extatische 0de an die Freude die Beethoven in de Negende Symfonie als koortekst gebruikte. Ook voor Schiller was de Opstand een vorm van hoop en daarom wilde hij de geschiedenis schrijven van dat `mooie monument van burgerlijke kracht' en `dit overgetelijke voorbeeld van wat mensen kunnen wagen voor de goede zaak en bewerken kunnen wanneer ze zich verenigen.' (Dit laatste is natuurlijk een cynische verwijzing naar de statelijke versnippering in Duitsland).

Onze geschiedenis is dus niet klein maar voor velen voorbeeldig. In het eigen bewustzijn van geschiedenis had het idee van klein tegen groot, David tegen Goliath, die heroïek van de Opstand, al formuleringen gevonden. De beroemdste is natuurlijk de cyclus van schilderijen die de Amsterdamse Burgemeesters in 1659 in opdracht gaven voor de galerij rond de Burgerzaal in het nieuwe stadhuis op de Dam. Het thema moest zijn: de opstand van de Batavieren tegen de Romeinen.

De schilderijen, van Govaert Flinck en anderen, hangen er nog; alleen Rembrandts Claudius Civilis werd in 1662 verwijderd als zijnde te grof van toon. Dat was jammer want Claudius Civilis was natuurlijk juist Willem de Zwijger; net zoals Claudius Romeins burger was, zo was Willem van Oranje een echte grandee aan het Europese hof van Karel V. Op wie leunde volgens de overlevering de oude, vermoeide keizer bij zijn abdicatie? Niet op zijn zoon Philips II maar op onze Willem. Trouwens, zoals H.van de Waal heeft beschreven in zijn meesterwerk Drie eeuwen vaderlandsche geschied-uitbeelding (1952), zulke vergelijkingen, zoals ook die met de fortuinlijke ontsnapping van de joden aan de tirannie der Egyptenaren, waren aan het eind van de zestiende eeuw al onderwerp van gesprek onder de burgers in de Republiek – dus ook toen de beroemde preambule van de Acte van Verlaatinge werd geformuleerd, de tekst die Motley en Jefferson zo bewonderden.

Ik heb altijd geloofd en ook geschreven dat er tegen de tijd van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) in de Noordelijke Provincies in de beeldende kunst een gevoel, liever een instinct, voor onafhankelijk kijken was gegroeid. De hele zestiende eeuw was de Europese kunst, ook in de Nederlanden, schatplichtig aan een internationale stijl die in Italië was ontwikkeld. Als een kunstenaar zich niet bij die stijl aansloot, zei Carel van Mander nog in zijn gezaghebbende Schilderboeck (Haarlem 1604), dan kon het als schilder niets met je worden. Je moest dus zeker naar Rome reizen om daar de echte kunst te leren.

In die internationale stijl, die heel Europa in zijn ban had, ontplooide zich ook een specifiek lexicon van bruikbare onderwerpen – uit de antieke Romeinse literatuur vooral, in de eerste plaats Ovidius' Metamorfosen. Het was niet welvoeglijk om zomaar een schilderij te maken van een vrijpartij van een herder met een mooie meid in een zomers landschap. Dat moesten dan, bijvoorbeeld, Daphnis en Chloë zijn, of een ander mythologisch paar. Eigenlijk schilderde de schilder dus in een soort fictieve wereld van verbeelding en dat moet zijn manier van kijken naar de wereld om hem heen hebben beïnvloed of vertekend. Met de literatuur was het, denk ik, niet anders maar dat moeten we aan Gerrit Komrij vragen.

Maar toen, in 1622 (een jaar dus na het aflopen van het Bestand) schilderde de Haarlemmer Esaias van de Velde een schilderij, Het veer, waarin al die fictie ineens verdwenen is. Heel kort: we zien een vaart, in het midden een veerpontje met boeren en koeien, rechts een herberg en verder, links en rechts, de dingen en momenten die Holland landschappelijk bepalen: de waterkant, bomen, molen, kerktorens, vissers, eenden, bootjes, een werf, boerderijen aan het water – en nog veel meer, daar geschilderd zonder de stilistische opwinding van de vroegere internationale (Italiaanse) stijl.

Dit was iets absoluut nieuws: het eigen land schilderen, met glasheldere blik, zonder het dictaat uit Italië. En dat schilderen omdat er uiteindelijk het besef gekomen was dat dit land van ons was en niet meer van een afwezige vorst ergens in Spanje. Het schilderij Het Veer is zoiets als de Acte van Verlaatinge. En net zoals die onafhankelijkheidsverklaring zo'n echo had in de wereld – zie Motley en zie Schiller – had ook het zogenaamde Nederlandse realisme zo'n echo in de Europese kunst. Na Esaias van de Velde durfden, geleidelijk aan, ook schilders elders in Europa zo te gaan kijken en schilderen. Het Nederlandse schilderen werd, in de loop van de zeventiende eeuw, het alternatief voor de fraaie afstandelijke Italiaanse stijl

De politieke geschiedenis van de Nederlandse onafhankelijkheidswording valt in mijn visie dus samen met de manier waarop de Nederlandse schilderkunst (en, denk ik, literatuur) begin zeventiende eeuw onafhankelijk werden van de internationale stijl. Dat moet nu, in het Rijksmuseum, het grootse en voorbeeldige verhaal zijn van onze geschiedenis.

In de huidige opstelling, geheten De Meesterwerken, komen we in de eerste zaal een groot kanon tegen, een aantal wapens, een enorm model van een koopvaardijschip en een breed groepsportret van dikgevreten Amsterdamse kooplieden. Natuurlijk begint men zich dan ook af te vragen hoe het zat met de handel in wapens en slaven. Maar daarover wil ik het nu niet hebben. Ik begrijp dat het experiment van het Rijksmuseum om nu in de Zuidvleugel geschiedenis, kunst en kunstnijverheid bij elkaar te brengen een eerste oefening is in het zoeken naar, zoals ze zeggen, een nieuw museum. Voor mij zou het begin van een opstelling en een nieuw verhaal zijn: Het Veer van Esaias van de Velde en, in een vitrine in de buurt, de originele tekst van de Acte van Verlaatinge.

Dat namelijk is het Nederland dat de wereld zich met liefde en bewondering herinnert: dat is het echt grote verhaal.

Dit was nieuw: het eigen land schilderen, met glasheldere blik

`Het Veer' is zoiets als de `Acte van Verlaatinge'