Het gaat over ons

Met Samuel Becketts `Wachten op Godot' maakt het voormalige theaterduo Mini & Maxi een onverwachte comeback. ,,Raar hoor. We hebben al meer dan twintig jaar geen tekst meer gesproken.''

Estragon probeert zijn schoen uit te trekken, maar dat lukt niet. Meer staat daarover in de gedetailleerde regie-aanwijzingen van Samuel Beckett niet te lezen, en zo wordt het dan ook meestal gespeeld: een acteur die verwoed aan zijn schoen zit te trekken en het na enige tijd opgeeft. Maar als Karel de Rooij ophoudt aan zijn linkerschoen te trekken, zet hij die voet weer naast de andere, en geeft er met zijn rechtervoet een schopje tegen, zodat de linker even opvliegt. En als zijn voeten vervolgens weer naast elkaar op de grond staan, duwt hij met gestrekte handen de schoenpunten uit elkaar. Pas dan gaat de scène verder.

,,Uit het arsenaal'', grijnst De Rooij na afloop van de repetitie, als in de kantine van het Nationale Toneel de warme maaltijd klaarstaat. ,,Toen ik een nummer met de zingende zaag deed, was ik eerst een tijdlang met mijn voeten bezig – om die zaag goed tussen mijn knieën te krijgen. Ik zou er nog wel een half uur mee dóór kunnen gaan. Maar dit is Wachten op Godot. Het moet geen act worden, dit soort dingen kan alleen als ze uit de tekst voortkomen. Geen grap om de grap.''

,,Het gevaar is wel dat het stuk te zwaar, te serieus wordt'', vult Peter de Jong aan. ,,Beckett heeft er zelf steeds op aangedrongen dat het licht moet worden gespeeld. Maar als je bezig bent, vóel je dat je steeds de zware kant wordt opgetrokken. Dat komt door wat er in de tekst staat. En natuurlijk ook doordat wij het spelen. Een duo, dat een duo speelt.''

Omdat ze `iets met theater' wilden, solliciteerden de twintigjarige conservatoriumstudent Karel de Rooij en de negentienjarige kantooremployé Peter de Jong in 1967 bij de door Tom (Dorus) Manders geopende theaterclub in Rotterdam. Samen met acht andere beginnelingen werden ze aangenomen. Voor het komische effect zette Manders hen naast elkaar: de kleine De Rooij (1 meter 63) en de boomlange De Jong (1 meter 93), die als paters in pijen het zoete Heideröslein zongen op een nieuwe tekst. Zo raakten ze bevriend. En toen de club na drie jaar op de fles ging, besloten ze samen verder te gaan. Uit die tijd stamt ook de kinderclowntjesnaam Mini & Maxi, die allang niet meer bij hun optreden past.

,,Wij zijn zo ongeveer van de generatie van Freek de Jonge'', zegt De Jong, ,,en we genoten ook zeer van Van Kooten & De Bie. Toen wij voor onszelf begonnen, stond ons óók zoiets voor ogen. Maar wat wij zelf schreven, beviel ons niet. Je voelde dat je onder de maat bleef. We zouden altijd afhankelijk zijn van tekstschrijvers. Terwijl wij nog niemand waren, en dus moeilijk bij de groten om teksten konden aankloppen. We hebben één keer een poging gedaan bij Annie M.G. Schmidt, maar die heeft natuurlijk nooit iets voor ons geschreven – waarom zou ze? Toen zijn we gaandeweg gaan ontdekken waar onze sterke kanten lagen: in muziek, mimiek en gebaren.''

Hij vertelt van een tekst over een poppenspeler die de acteur en komediant Jan Blaaser in het begin op hun verzoek schreef. ,,Het was een heel mooie monoloog. Jan had bedacht dat die poppenspeler niet kon spelen, omdat hij verkouden was. Wij lazen het en zeiden: ja, dat is 't! Toen hebben we de tekst weggegooid en het nummer van de verkouden poppenspeler gemaakt.''

Het was hun eerste grote succes: De Rooij als marionet, opgevouwen in de koffer, en De Jong als de ietwat sjofel ogende straatartiest die de draden door elkaar haalt en met elke nies de rillingen door het houterige lijfje van zijn pop jaagt. Volgens de wetten van het internationale variété-vak hadden ze er hun leven lang mee kunnen rondreizen, van Las Vegas tot het Lido in Parijs en de Wintergarten in Berlijn. Maar ze wilden geen artiesten met één los nummer worden. In plaats daarvan gingen ze avondvullende theaterprogramma's maken, die een groot aantal klassiek geworden scènes hebben opgeleverd. Zoals de doodbidders die heel langzaam en onnadrukkelijk in goochelaars veranderden, of de lege jas die een derde persoon werd als zij hun armen in de mouwen staken.

Bolhoed

Tijdens een gastoptreden in een jubileumvoorstelling in het oude Luxor-theater in Rotterdam kwamen ze in contact met regisseur Jos Thie. ,,Als je in het amusementsvak een regisseur zoekt, ben je vaak aangewezen op een choreograaf die de nummers zet'', zegt De Jong. ,,Maar wij zochten iemand die theatervoorstellingen maakt.'' Op de première-avond van hun voorstelling Scherzo, in 1993, kregen ze van Thie het tekstboekje van Wachten op Godot. Voorin had hij geschreven: ,,Ooit zullen wij dit samen gaan doen, Jos.''

Thie kwam in die dagen op het idee toen hij zich, voor een Beckett-festival, in Wachten op Godot verdiepte. Ergens las hij dat Beckett de met bolhoed getooide Estragon en Vladimir had gebaseerd op zwijgende filmkomieken als Buster Keaton en Charlie Chaplin. ,,Het is ook wel eens door een filmkomiek gespeeld'', vertelt hij. ,,Maar nooit door twéé komieken, nooit door een echt duo.''

De Jong en De Rooij namen de suggestie serieus, al moet De Rooij toegeven dat hij het script destijds niet helemaal heeft uitgelezen. Vooralsnog was er immers geen denken aan; na vier seizoenen Scherzo volgden nog drie seizoenen Split, de zomerproductie City in het nieuwe Luxor-theater en sinds 2002 de show 30 jaar theater waarin hun beste nummers een nieuwe samenhang kregen. Wachten op Godot paste pas in hun schema toen het Nationale Toneel projecten zocht om het 200-jarig bestaan van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag te vieren. Thie opperde zijn oude plan en vond De Jong en De Rooij bereid hun eigen theatershow een half jaar stil te leggen. De rest van de tournee was ingevuld tot in 2006.

Zo zou het gaan. Tot de Maxi van het duo vorig najaar over zijn lange benen struikelde en niet meer kwiek genoeg overeind kwam. Hij bleek aan een dubbele nekhernia te lijden, die wel te genezen was maar hem zou blijven belemmeren in zijn bewegingen. Na een week van crisisberaad viel de beslissing dat het afgelopen was met Mini & Maxi. Achteraf blijkt de voorstelling van 11 oktober, in Helmond, de laatste te zijn geweest. Onder zijn markante snor trekt Peter de Jong een pijnlijke grimas: hij had zich, beaamt hij, een glorieuzer afscheid kunnen voorstellen. De Rooij zwijgt en knikt.

Het gevolg is dat Wachten op Godot des te zwaarder drukt. Wat als intermezzo was bedoeld, is min of meer een comeback geworden. Alles wat Beckett de twee mannen in de mond heeft gelegd krijgt nu een extra lading. Bijvoorbeeld de wijze waarop Vladimir zijn kompaan begroet, na de pauze, in het begin van de tweede helft. Eerst heeft Vladimir een tijdje alleen op het toneel gestaan en een liedje gezongen. Dan komt Estragon, met scharrelende tred, tevoorschijn. Vladimir kijkt blij op, en er ligt tederheid in zijn stem als hij zegt: ,,Nu ben jij er weer. Zijn wij er weer. Ben ik er weer.''

Zijn dat teksten die de spelers ook zelf ontroeren?

,,Nu niet meer'', antwoordt De Jong. ,,Maar bij de eerste doorloop waren er wel momenten dat ik ontroerd raakte van wat ik zelf zei. Dit gaat over mensen die elkaar al heel lang kennen, dat zijn wij natuurlijk ook. Wij werken 37 jaar samen – dus als Vladimir en Estragon steun zoeken bij elkaar herken ik dat.''

De oorspronkelijke vertaling van Jacoba van Velde uit de jaren vijftig is door Thie ingrijpend bewerkt. Van haar literaire taal heeft hij spreektaal gemaakt, zoals Beckett dat zelf ook deed in zijn Franse oerversie en in de Engelse en Duitse vertaling die hij ervan maakte. In totaal is de Nederlandse tekst op 1048 plaatsen aangepast, zegt Thie met enige trots. Hij noemt één kenmerkend voorbeeldje: ,,laten we gaan'', de nogal formele vertaling van ,,let's go'', is veranderd in ,,kom, we gaan'' – naar het voorbeeld van ,,komm, wir geh'n'' in de Duitse versie.

Zelfs heeft de regisseur, op basis van diepgaande Beckett-studie, de timing op papier gezet. ,,Kijk maar'', zegt hij en haalt zijn script erbij om te laten zien wat hij bij de allerlaatste woorden heeft geschreven:

,,Nou'' – drie seconden

,,Gaan we dan'' – zes seconden

,,Ja'' – drie seconden

,,We gaan'' – gevolgd door een blackout die negen seconden duurt.

,,Dat heb ik uit Becketts aantekeningen bij zijn eigen regie'', aldus Thie, ,,en het werkt echt.''

Aan een kantinetafeltje slaakt Peter de Jong een diepe zucht en zegt: ,,Raar hoor. We hebben al meer dan twintig jaar geen tekst meer gesproken. En nu dit. Allerlei vragen bestormen ons. Ben ik wel te verstaan? Is m'n dictie wel goed? Ik heb daar nooit les in gehad. Je hóórt jezelf ook spreken, soms schrik ik nog van mijn eigen stem. Jos zegt dat het acceptabel is zodra we de teksten maar met genoeg overtuiging zeggen. Dat heeft de angst een beetje weggehaald. Qua timing komt het op hetzelfde neer, maar nu zitten we aan een tekst vast. We kunnen ook niet eens reageren op een interessante reactie uit de zaal, wat we vroeger wel deden. Het is nog heel erg zoeken. Wat we moeten doen als er zou worden gelachen, weet ik nog niet. Maar heel erg hilarisch wordt het natuurlijk niet. Dit is geen voorstelling voor lachsalvo's.''

Houvast

En wie of wat is Godot?

De Jong: ,,Dat staat voor mij echt helemaal vast. Godot staat voor de hang naar houvast in het leven. Iedereen wil houvast. Zelf hang ik geen geloof aan, maar het zou ook een geloof kunnen zijn.''

De Rooij: ,,Het is het zoeken naar een vorm van hoop, van verlossing. Ik heb niet het beeld van een bepaalde persoon, een bepaalde god, voor ogen. Ik denk dat Godot deze mannen iets verder zou kunnen helpen om uit hun eenzaamheid te komen.''

De Jong: ,,Vladimir en Estragon zijn hulpeloos. Ze zoeken steun bij elkaar. Dat herken ik.''

De Rooij: ,,Sommige teksten slaan letterlijk op ons. Jij weet precies wat de ander gaat zeggen als jij dit of dat zegt. En er zijn momenten waarop je tegen elkaar zegt: nu is 't klaar, nu kunnen we niet verder – en dan ga je tòch niet bij elkaar weg. Dat zijn dingen die onvermijdelijk gebeuren als je zo lang met elkaar samenwerkt.''

Wachten op Godot wordt uitsluitend gespeeld in de Koninklijke Schouwburg, in totaal 24 keer. ,,Wat een tijd, wat een investering voor zo weinig voorstellingen'', zegt Peter de Jong. ,,Ja, dat staat haaks op wat wij gewend zijn'', beaamt Karel de Rooij. ,,Ik heb groot respect voor de acteurs die dat keer op keer doen. Wij speelden altijd een paar seizoenen met één programma, en daar bleven we dan vol overtuiging aan schaven. We kwamen er steeds verder mee. Terwijl ik niet denk dat we met deze 24 voorstellingen het eind zullen bereiken. Er zou wat mij betreft nog wel een kort serietje op kunnen volgen. Maar zulke tournees als die van ons zou je met Beckett niet kunnen maken. Dan krijg je: Mini & Maxi spelen Beckett. Dat zou ons vaste publiek volkomen op het verkeerde been zetten.''

Na deze serie ligt er nog veel voor hen open. De Rooij weet hooguit dat er een project bij het Nederlands Dans Theater op hem wacht, en De Jong gaat meedenken aan een nieuwe voorstelling van de cabareteske variétégroep The Ashton Brothers. Samen met Thie maken ze bovendien in december een evenement voor het Leeuwardense theater De Harmonie. Verder blijft het bij vage plannen – misschien een tournee met The Sunshine Boys, de komedie van Neil Simon over twee oude komieken, die allang uit elkaar zijn maar tegen hun zin weer samen worden gebracht voor een optreden in een tv-show.

Nu werken ze samen met Peter Tuinman en Stefan de Walle, die de twee kleinere rollen in Wachten op Godot spelen. ,,Twee echte komedianten'', zeggen ze op waarderende toon.

Maar dan is er de scène waarin Tuinman opkomt als Potso. Even vragen Estragon en Vladimir zich af of hij wellicht Godot is. Nee, luidt het antwoord, hij is Potso – en hij vraagt hoe de heren hier eigenlijk verzeild zijn geraakt. En dan zegt Peter de Jong als Vladimir: ,,We zijn niet van hier, meneer.''

`Wachten op Godot', t/m 26/6 in de Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Inl. (070) 3181482 of www.nationaletoneel.nl