Epidemie van homeruns

In 1927 sloeg honkballer Babe Ruth 60 homeruns, een record. Roger Maris brak het ruim drie decennia later; in 1961 mepte hij 61 ballen de tribunes in of het stadion uit. Bijna veertig jaar later, in 1998, bereikte Mark McGwire een nieuwe mijlpaal met 70 homeruns. Zijn record was geen lang leven beschoren. Het hield drie jaar stand. In 2001 werd het gebroken door Barry Bonds, met 73 homeruns. Paleontoloog en honkballiefhebber Stephen Jay Gould zag het met gemengde gevoelens aan. `Werkelijk belangrijke records zouden in elk geval enige tijd stand moeten houden', schreef hij oktober 2001 in een opiniestuk in de Wall Street Journal: `We hebben in onze onthechte levens behoefte aan een aantal ankers in (de vorm van) getalsmatige stabiliteit.'

`Als statisticus van deze sport' stelde Gould vervolgens de vraag waarom het record van McGwire zo snel was gebroken. Over het algemeen, haastte hij zich te zeggen, stond hij niet lang stil bij het sneuvelen van sportrecords. Maar in dit geval was er meer aan de hand. Niet alleen McGwire en Bonds joegen de ballen met nooit eerder vertoonde kracht over de velden. Er was de afgelopen jaren een heuse `epidemie' van homeruns, en die diende te worden onderzocht.

Het resultaat van zijn onderzoek maakte hij in hetzelfde artikel bekend: de toegenomen homeruns waren het gevolg van de voortschrijdende specialisatie in krachttraining onder topspelers. Opvallend afwezige factors in het verhaal van Gould: spierversterkers (die McGwire zei te slikken) en anabole steroïden (die Bonds ontkende te hebben gebruikt). In een ander artikel in de bundel Triumph and Tragedy in Mudville stipt Gould het gebruik van doping door McGwire weliswaar aan, om het meteen te bagatelliseren. Omdat overheid en honkbalbond het niet nadrukkelijk verboden, kon de atleet volgens hem niets kwalijk worden genomen. En de pillen die McGwire slikte, aldus Gould, kon je gewoon bij de drogist kopen.

Gould, die in mei 2002 aan de gevolgen van kanker overleed, mag honkbal en honkballers dan met een `meedogenloze nieuwsgierigheid hebben gevolgd, zoals journalist David Halberstam in het voorwoord van Triumph and Tragedy in Mudville schrijft, hij was en bleef toch vooral een fan. Er was een grens aan wat hij aan slecht nieuws over `zijn helden' en `zijn sport' kon verdragen. Bij kunstmatig opgepompte lichamen keek hij even de andere kant op.

Gould groeide midden vorige eeuw op in New York, in een tijd dat de stad drie honkbalteams van uitzonderlijke kwaliteit huisvestte die dikwijls onderling uitmaakten wie landskampioen werd. Tussen het begin (april) en het eind (oktober) van het honkbalseizoen spraken zijn vrienden en hij `zeker vijftig procent van de tijd' over de verrichtingen van de Yankees, de Dodgers en de Giants. Tien jaar later waren de Dodgers en Giants verhuisd naar de westkust. New York had zijn ziel verloren, aldus Gould. In het onschuldige tijdperk `voor de triomf van het (honkbal)kapitalisme' was alles vanzelfsprekend beter. Zo werden honkbalkaartjes nog gewoon tussen de spaken van fietsen gestoken, waar ze een aangenaam ritselend geluid maakten. De weinige exemplaren die in boeken werden bewaard, worden nu voor duizenden dollars verhandeld.

Het mooiste stuk in Triumph and Tragedy in Mudville gaat over de dove honkbaldwerg Dummy Hoy. Hoy excelleerde als veldspeler van 1888 tot 1902. Hij kon niet praten maar maakte met bizarre keelgeluiden duidelijk wanneer hij een door de tegenpartij geslagen bal opeiste of juist aan zijn medespelers liet. En omdat hij niets hoorde, zwaaiden de fans met hoeden en zakdoeken als ze hun waardering over zijn spel wilden tonen.

Stephen Jay Gould: Triumph and Tragedy in Mudville. A Lifelong Passion for Baseball. Jonathan Cape, 342 blz. €39,50