De eerste beatstrip

In een serie heruitgegeven klassieken deze keer `The Complete Peanuts, 1950-1952' en `Li'l beginnings' van Charles Schulz (uitgegeven door respectievelijk Fantagraphics, 330 blz. euro 27,– en Charles M. Schulz Museum, 292 blz. euro 30,–)

Vier jaar geleden is Charles `Sparky' Schulz overleden, de schepper van een van de populairste strips aller tijden: Peanuts. Hij had toen vijftig jaar lang elke dag aan zijn strip gewerkt, zelfs toen hij al bijna tachtig was. Dat hij de rijkste striptekenaar ooit was en in Forbes' toptien van meest vermogenden in de entertainmentindustrie naast Bill Cosby en Michael Jordan stond, maakte niet dat hij ging rentenieren. Geld was niet zijn drijfveer om te tekenen. Hij stond bekend als een zuinige man, die elke ochtend achter zijn bureautje kroop om weer een strip uit te werken.

Het lijvige oeuvre dat hij heeft opgebouwd, wordt nu door de Amerikaanse uitgeverij Fantagraphics gebundeld in The Complete Peanuts. Het eerste deel bevat de jaren 1950-1952; de allereerste stroken waarmee Schulz langzaam maar zeker doorbrak bij de Amerikaanse kranten, na jarenlang als inkter te hebben gewerkt en vruchteloos te hebben geleurd met zijn – voor die tijd – radicale strips.

Voor velen zal die oerversie een verrassing zijn. Schulz heeft nog niet de definitieve vorm voor zijn papieren kinderen gevonden en we zien hoe de verschillende personages worden geïntroduceerd. Lucy's broertje Schroeder is nog een baby, maar groeit als kool en al snel heeft hij de leeftijd bereikt die hij de komende decennia zal behouden. Ook Snoopy moet zijn draai nog vinden en oogt als een gewoon hondje. Gaandeweg wordt hij steeds brutaler en gedraagt hij zich als een van de kinderen.

Alleen die ontwikkeling al maakt het eerste Peanuts-deel de moeite waard. Een andere reden voor deze integrale heruitgave is de frisheid die de strip nog heeft en die ervoor zorgt dat hij nog steeds in zoveel kranten wordt afgedrukt. De stripfiguren leven in hun eigen, afgesloten kinderwereld waar nauwelijks invloeden van buitenaf naar binnen sijpelen. Door die kaasstolp en de universele grappen over eigenwijze kinderen is Peanuts een tijdloze klassieker.

In het eerste deel is ook een korte biografie en duiding van de strip opgenomen van David Michaelis, die nu aan Schulz' biografie werkt. Voor iedereen die niet opgroeide in de jaren vijftig geeft zo'n biografische schets een welkome indruk van de impact die Peanuts destijds blijkt te hebben gehad. In het Amerika van vlak na de Tweede Wereldoorlog was het `not-done' om te zeggen dat het niet goed met je ging. Je moest vrolijk zijn. En dan verschijnt er een strip over kinderen die soms behoorlijk zwartgallig uit de hoek komen. Schulz schijnt veel van zijn eigen, ongelukkig en eenzame jeugd in Charlie Brown te hebben gestopt. Dat ging er wel in bij de cynische studenten en intellectuelen uit het Eisenhower-tijdperk en Peanuts was al snel een cultfiguur. Gary Trudeau, maker van Doonesbury, noemt Peanuts de eerste `beatstrip'.

Nog een extraatje in dit eerste deel is een lang interview uit 1992. Dat geeft wel meer achtergrondinformatie, maar het is niet duidelijk waarom gaandeweg de interviewer opeens verandert van Rick Marshall in Gary Groth (hoofdredacteur van The Comics Journal).

Peanuts was niet de eerste strip waarmee Schulz naar een krant ging. De voorloper heet Li'l Folks en die werd ongeveer een jaar lang gepubliceerd in de St. Paul Pioneer Press. Toen Schulz om een loonsverhoging vroeg, kreeg hij nee te horen. `Zal ik dan maar stoppen met de strip'? `All right' was het simpele antwoord en het einde van Li'l Folks. Het voorwoord van deze uitgave van het Charles Schulz Museum uit Santa Rosa is van Schulz' weduwe, Jean. Zij noemt haar man steeds liefkozend `Sparky' en legt uit waarom deze strips nog nooit eerder zijn gebundeld. Schulz vond de stijl te veel verschillen van wat hij later maakte en bovendien had hij een hekel aan terugkijken. De krantenpagina's waarop ze waren gepubliceerd heeft hij wel allemaal bewaard in zijn plakboek, zodat ze, bijna zestig jaar later, weer toegankelijk zijn.

Schulz gebruikt in de cartoons van Li'l Folks meer arceringen, en de penseellijnen zijn dikker waardoor ze inderdaad wat gedateerder ogen. Maar vreemd genoeg heeft hij later bijna alle grappen uit Li'l Folks nog een keer gebruikt. Die nieuwe versies staan naast de originele pagina's, samen met informatie uit die tijd en hoe die strip zich verhoudt tot Peanuts. Zelfs in 1992 gebruikte hij nog een grap van 40 jaar geleden! Zowel Peanuts en zeker de striparcheologie uit Li'l Beginnings, waarin de Li'l Folks zijn opgenomen, zijn heerlijke, fraai uitgevoerde boeken.