De doden zijn onverwoestbaar

Als je terugkeert naar de straat waarin je bent opgegroeid komt er altijd wel iets van je jeugd tot leven, alsof je een zwartwitfilm binnenstapt waarin je zelf figureert. Buren die allang dood zijn en aan wie je nooit meer hebt gedacht staan ineens weer voor je, speelkameraadjes die je uit het oog bent verloren spuiten je nat met hun waterpistool, je eigen, nog jonge, ouders leren je fietsen, je verheugt je op de bloesem van een appelboom die inmiddels is omgehakt en kust opnieuw het buurmeisje op wie je toen zo verliefd was.

De kracht van zulke herinneringen heeft de Hongaarse schrijfster Magda Szabó (1917) tot de kern gemaakt van haar roman De Katalinstraat. Met de onlangs verschenen Nederlandse vertaling van dat boek uit 1969 is eindelijk een literaire schat ontsloten, waarvoor uitgeverij Houtekiet niet genoeg geprezen kan worden. Want De Katalinstraat is een grootse roman over de wijze waarop herinneringen het heden kunnen beïnvloeden en bederven. De doden sterven niet, schrijft Szabó, en iedereen die ooit in welke vorm ook op aarde heeft geleefd is onverwoestbaar. Met alle positieve en negatieve gevolgen die met dat eeuwige voortbestaan verbonden zijn.

In de Katalinstraat in Boedapest was iedereen ooit gelukkig. Als je beseft dat de roman zich afspeelt tussen 1934 en 1968 kun je al raden wanneer dat `ooit' bestond: vóór de oorlog, toen Hongarije nog een redelijk beschaafd land was. Szabó's personages zijn de leden van drie keurige bourgeoisfamilies die elkaars buren zijn en veel met elkaar te maken hebben. Een van die families, de familie Held, is joods, al wordt daar nergens duidelijk naar verwezen – wat niet zo vreemd is als je bedenkt dat een groot deel van de Hongaars-joodse gemeenschap volledig geassimileerd was en niets meer ophad met zijn joodse afkomst.

Als Held en zijn vrouw in 1944 worden gedeporteerd en hun dochter, Henriett, tijdens een vluchtpoging wordt doodgeschoten door een Hongaarse fascist, veranderen de levens van de twee overgebleven families ingrijpend. Het geluk wordt verdrongen door blijvend schuldgevoel bij de een en een onvermogen om lief te hebben bij de ander. Gevoegd bij de naoorlogse Hongaarse geschiedenis, waarin het aan de macht komen van de communisten in 1948 en de opstand van 1956 nieuwe dieptepunten zijn, wordt het drama van de hoofdpersonen alleen maar groter. Bij het schuldgevoel en het onvermogen om lief te hebben voegen zich nu ook nog eens verraad en wraakzucht, ingrediënten die tot de dagelijkse kost behoren in een communistische samenleving.

De Katalinstraat begint in de jaren zestig, als het grootste leed geleden is en de levens van de personages genormaliseerd lijken te zijn. De bewoners van de Katalinstraat wonen inmiddels in een modern flatgebouw in een ander deel van Boedapest, waar ze maar niet kunnen wennen. Hun nieuwe huis is voor hen alleen nog een bescherming tegen kou en regen, maar geen omgeving waar ze zich thuisvoelen. Ze zijn de slachtoffers van een geschiedenis die ze graag willen vergeten, maar niet kunnen vergeten, omdat die in hun herinneringen te diepe sporen heeft achtergelaten. Behalve Henriett is er in hun huidige leven nog een andere afwezige, Blanka Elekes, die in 1956 naar een Grieks eiland is gevlucht.

De levens van Henriett en Blanka blijken naarmate het verhaal zich ontwikkelt onlosmakelijk met elkaar verbonden, omdat Blanka onbewust medeverantwoordelijk is voor Henrietts dood. Szabó zet haar neer als een irritant, jaloers wezen, aan wie je je steeds meer begint te ergeren. En toch missen haar familieleden haar. Ze is, zoals op de laatste bladzijde van het boek wordt gezegd, voor een van de leden van de familie dat `ene enkele andere wezen' dat aan ieder van ons wordt geschonken `wiens naam wij op het ogenblik van sterven kunnen uitroepen.'

Het mooie aan De Katalinstraat is dat net als in Szabó's vorig jaar vertaalde roman De Deur (in Frankrijk bekroond met de Prix Fémina étranger) de grote historische gebeurtenissen naar de achtergrond zijn gedrongen. Het gaat Szabó alleen om de directe en indirecte gevolgen van die gebeurtenissen voor haar personages, waardoor ze het kwaad een sluipende rol toebedeelt. De geleidelijke ondergang van de Hongaarse joden en het neerslaan van de opstand van 1956 worden er des te schrijnender door.

Ook het levensverhaal van het meest sympathiek beschreven personage, Irén Elekes, het zusje van Blanka, behandelt Szabó op de manier van À la recherche du temps perdu. Haar leven in de jaren zestig lijkt ideaal: ze is getrouwd met een aardige man en heeft een dochtertje. Totdat blijkt dat ze haar echtgenoot nooit toegang tot haar `ware' leven – dat van de Katalinstraat – heeft gegeven. De uiteindelijk terugkeer van haar voormalige verloofde Bálint is een ommekeer in haar bestaan. Ze kiest voor hem omdat ze haar verleden in de Katalinstraat met hem deelt, een verleden dat inmiddels een idylle is geworden. Maar zoals vaak gebeurt bij een geïdealiseerd verleden, is het nu te laat voor echt geluk, vooral omdat Bálint zijn hart bij Henriett heeft achtergelaten.

De enige voor wie dat geluk wel lijkt te bestaan is de dode Henriett. Aan het einde van de roman zweeft ze door de levens van haar vroegere vrienden. Niet eerder heb ik een dode in een roman zo waarachtig levend opgevoerd zien worden als bij Szabó. Dat alleen al is een grote prestatie van een schrijfster van wie hopelijk nog vele romans zullen worden vertaald.

Magda Szabó: De Katalinstraat. Vertaald uit het Hongaars door Anikó Daróczi en Ellen Hennink. Houtekiet, 224 blz. €18,50