De blauwe ballon

Van mijn moeder kreeg ik op mijn verjaardag een blauwe ballon, zo een die gevuld was met gas en aan een touwtje in de lucht hing.

Trots liep ik ermee over straat, het touwtje om mijn pols gewikkeld zodat de ballon niet weg kon vliegen. Iedereen die we tegenkwamen was jaloers op me, zo mooi vonden ze hem. Ik werd dus al gauw verliefd op mijn ballon en kon onafgebroken naar hem kijken. Want blauw is een heel mooie kleur en van iets dat vliegt word ik altijd vrolijk.

Aan het eind van die middag maakten mijn moeder en ik een wandeling naar de rivier. Het waaide hard, maar gelukkig hadden we wind mee. De ballon vloog voor me uit. Alsof hij me achter zich aansleepte en ik ieder moment met hem mee de lucht in kon gaan. In gedachten vloog ik al boven de stad en werden de mensen zo klein als stipjes. Zo leuk was mijn verjaardag nog nooit geweest.

Maar terwijl ik dat dacht en de wind aan mijn ballon rukte, struikelde ik ineens over een stoeprand. Ik viel voorover en lag languit op straat. Toen ik overeind kwam zag ik dat er bloed uit mijn linkerknie kroop. Ik was zwaar gewond, en dat nog wel op mijn verjaardag. Daarom besloot ik even wat te huilen om mijn moeder te laten zien hoe zielig ik was. Pas toen ontdekte ik dat het touwtje van de ballon niet meer om mijn pols zat.

,,Waar is-ie, waar is-ie'', riep ik in paniek. En als in een sprookje zag ik hem toen een eindje verderop onder een paar boomtakken hangen. Mijn moeder holde erheen en kon hem zonder veel moeite pakken, want het touwtje waaraan mijn ballon zat was vrij lang. Daarna gaf ze hem aan me terug, en dat had ze nu beter niet kunnen doen. Want ik was zo geschrokken van alles, dat ik de ballon, zodra ik hem weer vasthield, meteen losliet. En dit keer bleef hij niet aan een paar takken hangen. Nee, hij ging er als een dwaze vogel vandoor.

Ik holde er achteraan, want het touwtje bleef zo'n meter boven de straat dansen. Steeds had ik hem bijna te pakken, maar aan `bijna' heb je nooit zoveel. Toen kwam ik bij de rivier en kon ik niet verder. Daar ging hij dan, mijn ballon, mijn trots, mijn grote liefde. De wind voerde hem steeds hoger en hoger naar de overkant. En daar bleef zijn touwtje haken aan het dak van de watertoren. ,,Nu kunnen we er nooit meer bij'', zei mijn moeder, die bijna net zo verdrietig was als ik.

Nog zeker een uur hebben we nog naar de ballon zitten kijken, zonder ook maar één woord tegen elkaar te zeggen. Het was een plechtig afscheid, als bij een begrafenis. Toen kwam er een harde windvlaag en verdween de ballon in oostelijke richting. Mijn enige troost was dat een Duits jongetje hem misschien zou vinden en dan net zo verliefd op hem zou zijn als ik.

    • Michel Krielaars