Beweeglijk in heel Europa

De globalisering van de letteren heeft een nieuwe literaire dampkring om de aarde gelegd. Boeken van Nobelprijswinnaars en andere veelal humanistisch geïnspireerde auteurs, die zich hebben losgezongen van hun nationale literatuur. Zoals de `goede Europeaan' Cees Nooteboom.

Op de dag dat Cees Nooteboom in Den Haag de P.C. Hooftprijs in ontvangst mag nemen is het gepast om weer eens Marx en Engels te citeren. Niet omdat Nooteboom een marxist zou zijn, maar omdat hij zonder twijfel de meest internationale schrijver is van de hedendaagse Nederlandse literatuur. En juist over het internationale karakter van de moderne literatuur staat in het Communistisch manifest iets dat te denken geeft.

Als goede marxisten beginnen de auteurs met de economie, waarvan zij vaststellen dat die in het kapitalistische tijdvak steeds `kosmopolitischer' is geworden, wat ten koste gaat van de nationale industrieën. `In de plaats van de oude lokale en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid treedt een algemeen verkeer, een algemene afhankelijkheid van de naties onder elkaar'. Het blijkt niet alleen te gelden voor de materiële, ook voor de geestelijke productie. Want, schrijven Marx en Engels in 1848, `de geestelijke voortbrengselen van de individuele naties worden gemeengoed. De nationale eenzijdigheid en beperktheid wordt meer en meer onmogelijk, en uit de vele nationale en lokale literaturen vormt zich een wereldliteratuur'.

Als er in het Nederland van nu iemand tot deze `wereldliteratuur' mag worden gerekend, dan is het wel Cees Nooteboom. De vraag is wel wat we er precies onder moeten verstaan?

Zoals men weet is de term Weltliteratur niet bedacht door Marx en Engels, maar door van Goethe, die er helaas nooit een duidelijke, laat staan eenduidige definitie van heeft gegeven. Toch kun je uit zijn losse opmerkingen wel min of meer opmaken wat hij moet hebben bedoeld. `Wereldliteratuur' had volgens Goethe vooral te maken met literatuur, in de meest ruime zin van het woord (dus inclusief vertalingen, kritiek en zelfs reisverslagen), die bemiddelde tussen de verschillende nationale literaturen, als op `een markt waar alle naties hun waren aanbieden'. Die literaturen hoefden niet te verdwijnen of, in Goethes woorden, het is niet zo dat `de naties identiek (überein) moeten denken, maar ze hoeven elkaar slechts waar te nemen, te begrijpen, en als ze niet van elkaar kunnen houden, dan zullen ze elkaar toch op z'n minst moeten leren verdragen'.

Elders lezen we hoe hij zich dit voorstelde: `Een waarachtig algemene verdraagzaamheid wordt met de meeste zekerheid bereikt, als men het bijzondere van individuele mensen en volkeren met rust laat, intussen vasthoudend aan de overtuiging dat het waarachtig verdienstelijke daaruit bestaat dat het de gehele mensheid toebehoort'. Bij Marx en Engels daarentegen lijkt veel minder eerbied voor die nationale verscheidenheid te verwachten. Waar de mondiale expansie van het kapitaal alle grenzen slecht, ligt het niet voor de hand dat de grenzen van de literatuur zullen worden ontzien.

Het is nog altijd een actuele kwestie, want ondanks de voorspellingen van Marx en Engels en ondanks de oprukkende globalisering (die in het Communistisch manifest profetisch wordt aangekondigd) zijn beslist niet alle nationale grenzen geslecht, ook niet die van de literatuur. Sommige in eigen land hooglijk gewaardeerde schrijvers zijn misschien te nationaal (en daardoor onvertaalbaar) om internationaal door te breken. Denk maar aan Gerard Reve, wat dit aangaat de meest opvallende tegenpool van Nooteboom voor wie zo ongeveer het omgekeerde geldt. En ook bij Hermans heeft het heel lang geduurd, voordat uit het buitenland enige appreciatie kwam, al lijkt hier vooral de eigenaardige omgang van de auteur met zijn uitgevers doorslaggevend te zijn geweest, zoals wordt gesuggereerd in het fraaie portret van Hermans in Nootebooms hotel.

Zeker is in elk geval dat een schrijver die internationaal erkenning wil krijgen, iets van zijn nationale gebondenheid zal moeten loslaten. Niet dat hij niet over eigen land en zeden kan schrijven, maar zoiets moet niet al te opzichtig in dienst daarvan gebeuren. Dat vereist alleen al de moderne notie van `literatuur', verbonden als die is met een verregaande mate van autonomie, die zich van nationale grenzen niets aantrekt. Literatuur beschouwen we als een domein met eigen wetten en regels, in principe onafhankelijk van de heersende politiek, religie en zelfs moraal. Om literair mee te tellen moet een schrijver deze autonomie eerbiedigen.

Volgens de Franse critica Pascale Casanova heeft pas dankzij de autonomisering van de literatuur een `mondiale republiek der letteren' kunnen ontstaan. In haar gelijknamige boek uit 1999 (La république mondiale des lettres) schetst zij, helaas onder de merkbare invloed van de socioloog Bourdieu en dus nogal abstract, de wording hiervan. De emancipatie van de literatuur zou zijn verlopen via de landstalen, die zich afzetten tegen de hegemonie van het Latijn en van de Roomse Kerk; daarna zou de in de landstaal geschreven literatuur zich steeds meer hebben losgemaakt van de natie, die mede door haar toedoen was ontstaan. Onduidelijk blijft alleen hoe deze laatste emancipatie, die van de literatuur een autonoom domein heeft gemaakt, precies tot stand is gekomen.

Het lijkt bij Casanova min of meer vanzelf te zijn gegaan. Hoe langer een literatuur bestond en hoe groter haar literaire `kapitaal' werd, des te meer raakte zij los van haar nationale oorsprong, zodat de oudste literatuur ook de meest autonome moest worden. Voor Casanova is dat de Franse literatuur, die zo als het ware boven de natie uitgroeide en daardoor in de zeventiende en achttiende eeuw dé literaire norm kon worden voor het buitenland.

Het lijkt me een visie waarop wel wat valt af te dingen. Literaire autonomie heeft immers niet enkel en alleen bestaan in een breuk met de nationale banden. Het gaat óók om een breuk met de typisch Franse classicistische regel-esthetiek, die zich voornamelijk heeft voltrokken in Engeland en Duitsland, waar het woord `autonomie' ook voor het eerst is gebruikt (in Kants Kritik der Urteilskraft) in verband met kunst en literatuur.

In meer algemene zin is Casanova zich er overigens in wel degelijk van bewust dat haar `mondiale republiek der letteren' geen vreedzame, lineaire ontwikkeling heeft gekend; er is altijd rivaliteit, strijd en concurrentie geweest. In de achttiende eeuw kwam de belangrijkste weerstand uit Duitsland, waar de filosoof Johann Gottfried Herder literatuur, taal en natie weer nadrukkelijk aan elkaar koppelde, door als bron en bindsteen overal eenzelfde Volksgeist aan te wijzen. Alle naties, evenals alle nationale literaturen, waren in Herders ogen gelijkwaardig – een krachtig argument tegen de Franse dominantie van de officiële Duitse cultuur én een onweerstaanbaar appèl aan met name de nog onvolgroeide of onderdrukte naties van Oost-Europa om zich zo snel mogelijk, via herstel van eigen landstaal en literatuur, te emanciperen.

De ironie van de geschiedenis wil dat menige Duitse of Oost-Europese emancipator (van Marx tot Bakoenin en van Heine tot Mickiewicz) als balling in Parijs terecht kwam, nadat de politieke emancipatie was mislukt. Langs deze omweg wordt Casanova's stelling alsnog bevestigd, dat Parijs in weerwil van alle anti-Franse reactie de supranationale hoofdstad van de moderne autonome literatuur is gebleven.

Ook nog in de twintigste eeuw zou dat het geval zijn geweest: wat deden, om maar wat te noemen, al die Amerikaanse, Engelse en Ierse schrijvers en dichters anders op de Left Bank? Pas sinds de jaren zestig is daarin verandering gekomen, meent Pascale Casanova. Niet omdat Londen en New York de fakkel hebben overgenomen, zoals je misschien zou denken vanwege de algehele verschuiving van het westerse culturele zwaartepunt naar de angelsaksische wereld, maar omdat het autonome fundament van de mondiale literaire republiek steeds meer wordt bedreigd. En wel door de toenemende commercialisering van de letteren.

De voornaamste oorsprong van deze commercialisering situeert Casanova weliswaar in de Verenigde Staten, maar gezien de mate van succes elders kan het toch niet alléén aan Amerika liggen. Het grote probleem is dat onder de paraplu van de bestsellercultuur pulp en literatuur op één hoop worden gegooid, met als gevolg dat het verschil langzaam maar zeker uit het zicht verdwijnt. Het vervagen van de grens tussen hoge en lage cultuur, wordt dat gewoonlijk genoemd, maar daarvoor wenst Casanova geen oog te hebben; zij blijft hardnekkig vasthouden aan het inmiddels achterhaalde onderscheid tussen een internationale `avantgarde' en een in de praktijk even internationale literatuur van commerciële bestsellers.

Dat wil niet zeggen dat er geen enkel kwalitatief onderscheid meer zou bestaan; het heeft alleen geen zin meer dat onderscheid langs deze lijnen (avantgarde versus bestsellers) te maken. Het probleem waarop Casanova haar tanden stuk bijt is moeilijk los te zien van de huidige globalisering, die doorgaans niet met literatuur wordt geassocieerd. Globalisering is allereerst een zaak van economie, politiek, wetenschap en techniek, maar als we Marx en Engels serieus nemen, dan dienen daar ook culturele en dus literaire consequenties uit te volgen.

Vooralsnog lijken die culturele consequenties niet in de richting van een `wereldliteratuur' te gaan – eerder in de richting van een fundamentalistisch verzet, de desperate reactie op een culturele globalisering die alle niet-westerse authenticiteit met uitsterven zou bedreigen. Van een enig literair globalisme zijn we hier ver verwijderd, of je moet de fatwah tegen Salman Rushdie als zodanig willen zien. Terwijl de als zo bedreigend ervaren culturele globalisering zich in de praktijk vooral beperkt tot Amerikaanse films en tv-series, Coca-cola, McDonalds en de overal te pas en te onpas opduikende baseballpetjes – zaken die meer met economie en techniek te maken hebben dan met literatuur.

De enige literatuur die in dit globale verband thuishoort, lijkt te bestaan uit de door Pascale Casanova vervloekte bestsellers, het soort boeken dat overal ter wereld op internationale vliegvelden te koop is. En soms zelfs uitsluitend daar, omdat in de rest van het land nauwelijks boekwinkels te vinden zijn. Maar wie goed rondkijkt, zal merken dat de boeken die er worden verkocht niet allemaal tot het genre van de commerciële bestsellers behoren.

Je vindt er ook serieuze titels, van de hand van Nobelprijswinnaars, van auteurs die schrijven in de New York Review of Books of die daarin worden besproken, auteurs die niet alleen in het Engels maar in bijna alle gangbare talen zijn vertaald, en die – om dichter bij huis te blijven – plegen te worden uitgenodigd voor Nexus-conferenties of om de Van der Leeuw- of Huizingalezing te houden.

Namen? Ik doe een willekeurige greep: J.M. Coetzee, Milan Kundera, Susan Sontag, Günter Grass, Philip Roth, George Steiner, György Konrád, Salman Rushdie, Gabriel García Márquez, Naghieb Mahfoez, A.S. Byatt, Alain de Botton, Kazuo Ishiguro, Michael Ignatieff, David Grossman, Umberto Eco, Mario Vargas Llosa... Stuk voor stuk schrijvers die goed tot zeer goed verkopen en alom worden gelezen, zonder dat hun boeken ook maar in de verste verte typisch commerciële producten kunnen worden genoemd.

Met elkaar vormen ze een nieuw soort `wereldliteratuur', die niet fungeert als bindmiddel tussen de nationale literaturen, zoals Goethe wilde, maar die om zo te zeggen een aparte literaire dampkring rondom de aarde is gaan vormen, goeddeels losgezongen van de eigen nationale herkomst. Het enige wat deze schrijvers verenigt, naast hun wereldwijde succes, is een humanistische gezindheid, iets wat weer niet in strijd is met Goethes opvatting van Weltliteratur, zij het dat zij vóór alles een kritisch humanisme cultiveren, met een filosofische inslag en een grote morele ernst, maar ook met humor en ironie, met smaak en esthetische elegantie.

Het zijn schrijvers (en dat zeg ik zonder ironie, hoewel ik niet iedereen in gelijke mate bewonder) met wie je overal voor de dag kunt komen. Voor culturele incorrectheid hoeft niet gevreesd te worden, hoogstens voor enige – nooit echt de grenzen van het ethisch betamelijke overschrijdende – politieke vrijmoedigheid in linkse, zelden of nooit in rechtse richting.

Van de Nederlanders is Cees Nooteboom de eerste geweest die in dit mondiaal gelid een plaats heeft verworven, op eigen kracht. Nadat hij in 1982 de Pegasus Mobil prijs had gewonnen met Rituelen, werd deze roman – wat mij betreft zijn beste – in het Engels vertaald en in Amerika gepubliceerd. Het grote succes kwam niettemin via Duitsland, nog voordat de Nederlandse literatuur in 1993 `Schwerpunkt' werd op de Frankfurter Buchmesse. Nooteboom is niet doorgebroken omdat opeens de Nederlandse literatuur internationaal in de belangstelling kwam te staan. Misschien kun je wel zeggen dat Nootebooms succes de belangstelling voor andere Nederlandse schrijvers heeft bevorderd.

Als dat waar is, vormt hij een uitzondering op de meeste andere gelukkigen die tot de hedendaagse `wereldliteratuur' zijn doorgedrongen. Opvallend is nu juist dat zij daarin allereerst als bijzondere individuen figureren, en niet als vertegenwoordigers van hun nationale literaturen. Alle aandacht voor Coetzee sinds Disgrace heeft niet geleid tot een stormloop op de Zuid-Afrikaanse literatuur, met uitzondering wellicht van Nadine Gordimer en André Brink, maar die hadden zelf al een plekje veroverd in de nieuwe `wereldliteratuur'.

Dat nu ook andere Nederlandse schrijvers dit lot beschoren is, kort na en mede dankzij Nooteboom, is vermoedelijk te verklaren uit het feit dat er hier wel heel veel viel in te halen en goed te maken. In een boek als The western canon (1994) van Harold Bloom komt bijvoorbeeld niet één Nederlandse schrijver voor, evenmin trouwens als in La république mondiale des lettres van Pascale Casanova. Ten onrechte, dat hoeft geen betoog. Nederlandse schrijvers, Nooteboom voorop, gaan al ruim een decennium en niet zonder weerklank de wereld over, al blijft hun internationale beweeglijkheid zich concentreren op Europa.

In zekere zin geldt dat laatste voor de hele nieuwe wereldliteratuur. Ook Goethe vergiste zich soms en stelde dan de Europese literatuur gelijk aan de Weltliteratur. Misschien is de hele wereld ook wel een culturele brug te ver. In dat geval kan Nooteboom alleen maar worden geprezen om zijn maatgevoel. Hoewel hij als reiziger alle continenten heeft bezocht, beperkt zijn alledaagse actieradius zich toch tot Europa, met Spanje, Duitsland en Nederland als vaste en favoriete thuishavens. Van de rest van de wereld benadrukt hij eerder het vreemde en ondoordringbare, net als de hoofdpersoon van een van zijn beste verhalen, Mokusei uit 1982, die over zijn Japanse geliefde moet vaststellen, na uitputtende pogingen om het tegendeel te bewerkstelligen, dat `hij niets van haar wist, en dat ook nooit zou weten'.

Als internationaal auteur presenteert Nooteboom zich vooral als `goede Europeaan', de belichaming bij uitstek van het samengaan van (nationale) `eenheid' en (Europese) `veelvormigheid', zoals het heet een van de toespraken in De ontvoering van Europa (1993). De overigens bescheiden bundel staat vol met eloquente bijdragen aan internationale symposia, waarop gesproken wordt over zulke kwesties als de `identiteit van Europa'. Nooteboom neemt er graag aan deel, ook al zegt hij niet goed te weten wat hij met `zulke abstracties' aan moet. Een uiting van valse bescheidenheid, want in de praktijk weet hij het heel goed; het `persoonlijke verhaal' dat hij telkens houdt, is vast precies wat men van hem (en van zijn overige `wereldliteraire' collega's) verwachtte.

Met dat al is Nooteboom in het buitenland veel beroemder geworden dan in Nederland. Nu wordt de miskenning in eigen land wel eens overdreven, zo erg was het nu ook weer niet. Zeker na Rituelen (dat ook in eigen land in de prijzen viel) is Nooteboom niet meer uit de nationale belangstelling verdwenen, maar het is waar: door de Nederlandse kritiek (en daartoe moet ik uitdrukkelijk ook mijzelf rekenen) is hij niet altijd even vriendelijk behandeld. Tegen de oerkracht van de globalisering en de nieuwe `wereldliteratuur' is evenwel geen kruid gewassen.

Het laatste verschil tussen de Nederlandse verbazing over Nootebooms roem in het buitenland en de buitenlandse verbazing over zijn relatieve veronachtzaming in Nederland wordt dan ook vandaag teniet gedaan door de uitreiking van de P.C. Hooftprijs, die verdiend genoeg is om hem er zonder bijgedachten (behoudens de bovenstaande) mee geluk te wensen.