Al wat pijn doet hangt samen

`Ik heb een wat zonderling hoofd' noteert de hoofdpersoon van Willem Brakmans 51ste roman De afwijzing; `maar zonder dat is schrijven onmogelijk. Een normaal mens schrijft geen goede boeken.' Het is niet de enige ontleding van zijn literaire status die de verteller zich veroorlooft. Zo begint hij zijn verhaal met de sterke zin `Ik ben een schrijver, een die zijn zaakjes graag op orde zou willen houden, maar dat is iedere dag toch weer een opgave.' En krap veertig bladzijden verder zegt hij: `Mijn boeken zijn niet onleesbaar, daar moet u van uitgaan, dat zijn ze pas als u een thema zoekt, dit als het ware dwingend oplegt. De leesbaarheid zit in het fragment dat onophoudelijk verschuift. Niet het bospad maar de struiken is mijn devies.'

Je zou bijna gaan denken dat de 81-jarige Brakman, ooit trots op het feit dat geen van zijn romans een tweede druk haalde, de behoefte voelt zich te verdedigen tegen lezers die zeggen dat zijn boeken ontoegankelijk zijn. Ook in zijn vorige roman, het acht maanden geleden verschenen Nazomer, ging zijn alter ego in discussie met de `kleinhoofdigen' die hem verwijten dat hij duister en morbide is; zijn teksten zouden juist vibreren van lust en getuigen van `een vertwijfelde gelatenheid', terwijl hij zich als schrijver voelt `als een bridger onder de klaverjassers.' Maar iedere trouwe lezer van Brakman weet: commentaar op het schrijverschap is een van de vaste elementen van zijn romans, net als bijvoorbeeld de (Duitse) Romantiek, de terugkeer naar plaatsen uit het verleden, het optreden van excentrieke personages (met name de onuitstaanbare dokter Van Heel), de liefde voor theater, en verwijzingen naar de wereldliteratuur.

Ik had een tijdje geen boeken van Brakman gelezen – dat kan gebeuren bij een oeuvre dat zich in zo'n rap tempo uitbreidt. Misschien dat de orationes pro domo me daarom in De afwijzing opvielen, maar het kan ook komen doordat ik al snel de draad van het verhaal kwijt raakte. Dat gebeurt vaker bij het lezen van een Brakmanroman: in het begin word je geïmponeerd, geïntrigeerd en geamuseerd door de uitzinnige fantasie en de knisperende stijl, daarna ga je je ergeren aan de absurde wendingen, en uiteindelijk raak je verveeld. Zo ook in het geval van De afwijzing. Het verhaal begint veelbelovend, met een schrijver die terugkomt van een reis en zijn huis gekraakt vindt door `een schoonmaker met zijn familie en een kwakzalver'. Gelaten neemt hij zijn intrek in een hotelletje met uitzicht op zowel een watermolen als het huis van een toneelspeler op wiens vrouw hij verliefd is. De toneelspeler wordt dood aangetroffen in de molen, en terwijl er door alle getuigen en betrokkenen naar de schuldige van de (zelf?)moord wordt gezocht, probeert de ikfiguur de weduwe te verleiden. Hij wordt afgewezen.

Tot zover, dat wil zeggen tot iets over de helft van het boek, is alles nog min of meer navolgbaar en valt De afwijzing te genieten als een absurdistische roman over ouderdom en gefrustreerde liefde. Hierna wordt het verhaal steeds onsamenhangender en lijkt Brakman ons rond te leiden in een wereld waarin droom en werkelijkheid in elkaar overlopen zonder dat je daar als lezer enige boodschap aan hebt. De gebeurtenissen worden steeds onzinniger en Brakmans running gags – de raadselachtige verwijzingen naar (de graficus) Escher, de Latijnse citaten van een leraar oude talen, de kleine gedichtjes van de hoofdpersoon – treden buiten hun oevers. Het optreden van wijlen Nol Gregoor als rivaal van de verteller was aan mij ook niet besteed; ondanks, of misschien dankzij, het feit dat ik weet dat Brakman zich vaak (onder meer vorig jaar in een interview met het Cultureel Supplement) heeft uitgelaten over zijn getroubleerde vriendschap met deze Vestdijkkenner.

Je kunt Brakman de meester van de non sequitur noemen. Je kunt ook zeggen dat De afwijzing aan alle kanten rammelt en dat dit jammer is van al het mooie dat de schrijver ons te bieden heeft. Sterke zinnen bijvoorbeeld, zoals `wijnzwaar liep ik diagonalen over het pad' en `al wat in de wereld pijn doet, hangt samen'. Elegante woordcombinaties als `bulderende spieren', `een handvol winterheimwee' en `fonetisch loensen' (als omschrijving voor iemand die met een `accent van goeden huize' spreekt). En humoristische passages, wanneer de verteller zich trots toont op zijn seksuele trukendoos (`Ik ken de paardenbeet, de hondensprong, het kloostergebed en de blikopener') of wanneer hij zijn antipathieën uitspreekt: `Ik mocht die Zwaan niet, ik mag heel veel mensen niet, maar die Zwaan hoorde bij de toptien.'

,,Een inval is altijd welkom,'' zei Willem Brakman vorig jaar in het CS-interview. Toch zal ik niet de enige lezer zijn wiens plezier bedorven wordt door het bommentapijt van plotwendingen en associaties dat door de schrijver wordt gelegd. Ik weet het: er is een goed georganiseerde Brakmanfanclub, en die zal romans als De afwijzing en Nazomer misschien even hoog hebben zitten als oude klassiekers als Het zwart uit de mond van Madame Bovary (1977) en De vadermoorders (1989). Maar wat De afwijzing betreft, kan ík me helemaal vinden in een van de uitspraken van de hoofdpersoon: `Ik wist niet wat ik ervan denken moest maar ik moest er wel het mijne van denken.'

Willem Brakman: De afwijzing. Querido, 136 blz. €15,90