Steeds weer obstakels voor grondwet EU

Ondanks eerder optimisme verlopen de besprekingen over de Europese grondwet opeens weer moeizaam. Onderhandelingstactiek of structureel probleem?

De Ierse minister van Buitenlandse Zaken, Brian Cowen, was gistermiddag in Brussel na afloop van de tweedaagse bijeenkomst met zijn collega's over de Europese grondwet een en al optimisme. ,,Ik heb er vertrouwen in dat we de klus zullen klaren'', zei de huidige voorzitter van de Unie. ,,De gevoerde discussies zijn nuttig geweest voor de verdere gedachtevorming.''

Daarmee was Cowen wel ongeveer de enige deelnemer met een positief geluid over de voortgang van de onderhandelingen. In het Justus Lipsiusgebouw in Brussel waren overwegend sombere verhalen op te tekenen over de besprekingen. Opeens was het veel minder zeker of er volgende maand wel een akkoord zal worden bereikt. En misschien belangrijker: of de uiteindelijke tekst nog iets uitstaande zal hebben met de oorspronkelijke bedoeling.

De Europese besluitvorming moest overzichtelijker worden. Daar is na ruim een half jaar touwtrekken tussen de 25 lidstaten weinig meer van over. ,,Wat nu op tafel ligt maakt Europa nog minder begrijpelijk dan het al was'', aldus de Finse minister van Buitenlandse Zaken Erkki Tuomioja. Hij ontpopte zich gisteren als woordvoerder van een groep van dertien kleine en middelgrote EU-landen die niet akkoord wensen te gaan met de compromisteksten van de grote landen over de toekomstige stemverhouding binnen de Unie.

Het verzet van de `gelijkgestemden' is maar één van de problemen waarmee het Ierse voorzitterschap in de aanloop naar de top van regeringsleiders is geconfronteerd. De besprekingen van de ministers van Buitenlandse Zaken van maandag en dinsdag hadden veel weg van een partij vrij worstelen. Zoals bij onderhandelingen over omvangrijke teksten met veel punten altijd geldt, is niets besloten zolang niet over het allerlaatste punt is besloten. Dus werden naar hartelust discussies over onderwerpen herstart die reeds eind vorig jaar leken te zijn afgerond. Bij de andere, nog openstaande zaken bleef het bij een herhaling van zetten. Zoals de Nederlandse staatssecretaris van Europese Zaken het uitdrukte: ,,Iedereen zegt wat hij vindt. En wat hij vindt, is wat hij vond.''

Niet voor niets hebben verschillende landen er bij het Ierse voorzitterschap op aangedrongen nu in vredesnaam met een eigen eindtekst te komen. Want naarmate richting in de besprekingen uitblijft, wordt het aantal obstakels alleen maar groter. En daarbij veranderen ook nog eens de omstandigheden. Sinds de Britse premier Blair heeft aangekondigd over de grondwet een referendum uit te schrijven, zijn de Britten veranderd in keiharde onderhandelaars. De Polen, die vorig jaar bij de mislukte top over de grondwet in Brussel dwarslagen, leken enkele maanden geleden bereid tot concessies. Maar na het vervroegde aftreden van de regering van premier Miller is van die toeschietelijkheid weinig meer over.

Het belangrijkste geschilpunt blijft de toekomstige stemverhouding binnen de EU. Alle landen zijn het erover eens dat de inmiddels tot 25 landen uitgegroeide Unie alleen maar kan functioneren als over veel meer zaken dan nu het geval is met meerderheid van stemmen kan worden beslist en het vetorecht van lidstaten wordt beperkt. Van belang is dan wel hoeveel stemmen de afzonderlijke lidstaten krijgen. In het huidige model hebben Polen en Spanje bijna evenveel stemmen als Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië. In het mechanisme dat in de ontwerptekst van de grondwet staat zouden Spanje en Polen met minder stemmen genoegen moeten nemen.

Bij de Europese top in Brussel eind vorig jaar bleek geen overeenstemming mogelijk. Sindsdien leken de direct betrokkenen toch te bewegen. De nieuwe Spaanse regering onder leiding van de socialist Zapatero toonde zich bereid tot een compromis, terwijl zich na de bomaanslagen in Madrid van alle Europese regeringsleiders een sense of urgency leek meester te maken om toch niet langer de verdeeldheid van Europa te etaleren. Vol goede moed spraken de regeringsleiders tijdens hun top van afgelopen maart de verwachting uit dat in juni – bij hun volgende treffen – een akkoord zou kunnen worden bereikt.

Nu dit moment dichterbij komt, verlopen de besprekingen stroever. Deels is dit inherent aan onderhandelingen. Cruciale teksten waarbij sprake is van geven en nemen worden immers altijd onder hoogspanning gesmeed. Maar in onderhandelingsdelegaties werd de afgelopen dagen wel de vraag gesteld of geen akkoord niet beter was dan een slecht akkoord. Want nu blijkt dat erover wordt gedacht op het gebied van belastingen, sociale zaken en justitie toch weer het vetorecht te laten bestaan, komt de vraag aan de orde waar het bij de grondwet allemaal ook al weer om was begonnen.

    • Mark Kranenburg