Nationaal museum is fictie

In zijn bijdrage `In het museum in Washington blijkt dat de historische kennis in de VS beter is dan in Nederland' (Opinie & Debat, 15 mei), heropent Maarten Huygen de discussie over een in Nederland op te richten historisch museum waarin ook techniek en wetenschap aan de orde komen. Als voorbeeld beschrijft hij het National Museum of American History (NMAH) van het Smithsonian Institution in Washington DC. Dat heeft inderdaad fascinerende thematische opstellingen die Nederlandse musea tot voorbeeld kunnen dienen. Het doortrekken van een historisch thema tot het (zeer) recente verleden, zoals daar bijvoorbeeld gebeurt, brengt de geschiedenis heel dichtbij.

Maar toont hij aan dat het dankzij het NMAH met de historische kennis in de VS beter is gesteld dan in ons land en zo ja, volgt daaruit dan de noodzaak voor een Nederlands Nationaal Museum?

Zeker, Amerikaanse scholieren worden veel indringender met hun historie opgevoed dan onze jeugd. Vlag, volkslied, de War of Independence – deze en meer nemen bij de educatie van jonge Amerikanen een veel belangrijker plaats in dan vergelijkbare onderwerpen en voorwerpen bij ons. Maar welke rol speelt het NMAH daarin? Hoeveel (jonge) Amerikanen zullen de kans hebben dat museum te bezoeken? Ik vermoed dat het van buiten de Amerikaanse `randstad', ruwweg van Boston tot Washington DC, relatief weinig zullen zijn. Voor veel Amerikanen is een reis naar hun hoofdstad qua tijd en afstand bezwaarlijk, om van de financiële consequenties van zo'n tocht voor de minder draagkrachtigen te zwijgen. Mij lijkt dat de Amerikaanse jeugd meer gebaat zou zijn met spreiding van hun cultuurhistorisch erfgoed dat met de concentratie daarvan in Washington.

In Nederland spelen tijd en afstand veel minder een rol. Men kan hier binnen enkele dagen de meeste aspecten van de Nederlandse geschiedenis in musea zien. Waarom dan een Nederlands Nationaal Museum? Het zou weliswaar fantastisch zijn in Amsterdam zo'n museum te hebben, maar hoe realistisch is het om voor zo'n museum een collectie aan te leggen? Het Smithsonian Institution is in 1835 bij legaat opgericht en werd ruim tien jaar daarna een door de federale overheid gefinancierde instelling. Collectievorming begon spoedig na de oprichting en al dateert het NMAH zelf van later, de basis van die verzameling is in het midden van de negentiende eeuw gelegd en daarna voortdurend aangevuld. Men heeft dus een voorsprong van ruim 150 jaar en die kan alleen worden ingelopen als vrijwel alle Nederlandse cultuurhistorische musea een flinke (kunst)-steen bijdragen.

Dr. W.F.J. Mörzer Bruyns is conservator zeevaartkunde van het Scheepvaartmuseum te Amsterdam.

    • W.F.J. Mörzer Bruyns