Haal ze terug

Als de Tweede Kamer straks instemt met verlenging van het Nederlandse militaire aanwezigheidje in Irak, rechtvaardigt de meerderheid dit besluit met het argument dat het Iraakse volk in zijn nood niet in de steek mag worden gelaten.

Kwantitatief is de bijdrage gering, maar als er weer iemand sneuvelt maakt dat geen verschil. Die soldaat was daar ter plaatse door een Nederlands besluit. En dan een andere kant van de zaak: zodoende draagt Nederland ook een steentje bij, hoe klein ook, tot de mogelijke herverkiezing van president Bush onder wiens leiding deze vorm van nood tot stand is gekomen.

Duivels dilemma? Moeten we deze Amerikaanse regering blijven steunen, in het vertrouwen dat door de visie en energie van de wereldleider alles ten goede zal keren, ook voor de Irakezen als ze maar geduld hebben? Of is nu langzamerhand duidelijk dat de wereldleider zijn mislukking heeft bewezen? Zou Nederland zijn steun aan de onderneming hebben gegeven als we hadden kunnen voorzien dat het op zo'n chaos zou uitdraaien? Of zijn degenen die al deze vragen stellen, daarmee op de troon gaan zitten waar men zijn onaantastbare wijsheid achteraf verkondigt?

Een jaar of twee geleden, toen het duidelijk werd dat de oorlog tegen Irak onvermijdelijk was, begon in het Westen een nieuw debat, tussen een partij die zich tot conservatief had uitgeroepen en waarvan de meeste denkers Amerikaanse Republikeinen waren, en de anderen, tegen de oorlog. Dat was een groot, gemengd gezelschap, met veel liberals natuurlijk, en gewone Democraten die van links en `linksig gedoe' niets moesten hebben. Ex-generaal Wesley Clark bijvoorbeeld. Maar ook een ultraconservatief als Pat Buchanan hoort er nog steeds bij. In Europa was de meerderheid – conservatief of progessief – tegen de oorlog. En president Chirac, die je niet van linkse idealen kunt betichten. Maar er waren ook progressieven als Mient Jan Faber en Paul Scheffer, die vonden dat de verwijdering van Saddam Hussein een oorlog waard was.

Toch werd toen al, in die vooroorlogse tijd, voornamelijk door de Amerikaanse denkers de indruk gewekt dat het in dit debat om een fundamentele tegenstelling tussen conservatief en de rest ging, waarbij conservatief in het machtige en moedige Amerika woonde en de rest in Europa. Robert Kagan heeft het in zijn essay (De balans van de macht. De kloof tussen Amerika en Europa) mooi uitgelegd. De Europeanen zijn van Venus, hebben een Kantiaans wereldbeeld, vertrouwen op internationale organisaties en verdragen. De Amerikanen zijn van Mars, denken dat Hobbes het bij het rechte eind had, geloven in laatste aanleg niet in goede trouw. Ze vertrouwen dus op hun macht. Deze visie werd gepopulariseerd en gevulgariseerd. Zo ontstond in Amerika bij de meerderheid van de publieke opinie de overtuiging dat in Europa de lakens werden uitgedeeld door een zootje slappelingen. Terwille van hun eigen hachje waren ze zelfs bereid met een boef als Saddam te pacteren.

De oorlog had dus drie rechtvaardigingen. De eerste: het bedwingen van het acute gevaar, dat bestond uit de massavernietigingswapens, de banden tussen Saddam en Al-Qaeda, enz. De tweede: bevrijding van het Iraakse volk. De derde: de herbouw van Irak tot democratie, voorbeeld voor de regio, begin van de democratisering van het hele Midden-Oosten. Stuk voor stuk nobele doelstellingen. Die hebben voor de oorlog in Amerika de grondslag gevormd voor een hermetische, onontkoombare propagandacampagne. Geen televisiestation dat zich eraan kon onttrekken, want of je het nu met de oorlogsvoorbereidingen eens was of niet, wat uit Washington kwam was nieuws. En het kwam dagelijks in een dusdanige overstelpende hoeveelheid, dat twijfel en kritiek (die er ruimschoots was, want het is een vrij land) erdoor onder de voet werden gelopen. Showdown Iraq! Bovendien werd na 11 september de oorlogspartij gedragen door de golf van vaderlandsliefde. Dat is, tussen haakjes, ook een aspect van de persvrijheid: als je wel kunt schrijven wat je wilt, maar als je het niet met de meerderheid eens bent, dan schrijf je op straffe van uitgemaakt te worden voor lafaard, landverrader, stinkende Franse kaaseter.

Hoe dan ook, zo heeft de oorlog zijn ideologische lading gekregen. Ten onrechte, want een oorlog wordt niet uitsluitend gevoerd uit nobele motieven, maar je begint er pas aan als je zeker weet dat de gestelde doelen binnen een redelijke tijd bereikt kunnen worden.

De critici in het Westen waren het wel eens met motief en doel, maar zij wisten uit historische ervaring, door hun kennis van het Midden-Oosten, in de explosieve toestand waarin het zich nu bevindt, dat het met deze oorlog, op deze manier gevoerd, niets zou worden. Dat is geen conservatief, progressief of überhaupt ideologisch gefundeerd inzicht. Het is een gewoon praktisch besef van de grenzen der mogelijkheden.

Degenen die met hun filosofische rimram de oorlog een ideologische lading hebben gegeven, hebben bijgedragen tot het fiasco. De werkelijkheid is de gevaarlijke, zich nu uitbreidende chaos van de Arabische wereld. Die valt niet met een Hobbesiaanse shock and awe en neoconservatieve luchtspiegelingen tot een verzameling democratieën om te smeden. Dat is een antipraktisch waandenkbeeld, in een deftig filosofisch jasje gestoken. De beleidsmakers in Washington nemen er geen afscheid van.

In Al Muthanna worden onze vriendelijke `sociale patrouilles' met de dag grimmiger. Is het een `wijken voor terreur', als we onze soldaten terughalen? Of een machteloos medeplichtig zijn aan wanbeheer als we besluiten tot blijven? De

geschiedenis zal het leren, zeggen we dan. Maar niet aan degenen die daar het leven laten. Lang ben ik er voorstander van geweest dat Nederland militair aanwezig zou blijven, zodat onze soldaten op onze eigen manier een aandeel zouden hebben in de wederopbouw. Maar met voortgezet wanbeleid gaat dat niet meer. Daarom:

terug. Totdat in Washington een nieuwe wereldleider is aangetreden, of de Verenigde Naties de geloofwaardigheid van de vreemde troepen hebben hersteld.