Eis OM tegen Lucia de B.: levenslang

Het openbaar ministerie in Den Haag heeft gisteren in hoger beroep levenslang geëist tegen verpleegster Lucia de B. wegens moord op zeven patiënten en pogingen tot moord op drie patiënten.

Deze straf is nodig omdat een tijdelijke straf de samenleving in dit ,,uitzonderlijke geval'' onvoldoende bescherming biedt tegen de verdachte, betoogde het OM. De advocaten-generaal C. Strack en G. Haverkate rekenden het hof voor dat De B. bij een gevangenisstraf van twintig jaar in april 2014 ,,onbehandeld en recidivegevaarlijk'' op vrije voeten zou komen.

,,Vergelding is zeker een aspect dat bij de bestraffing mag meewegen'', stelde het OM, dat het handelen van De B. omschreef als geraffineerd en planmatig. Maar de levenslange straf is ook nodig omdat het opleggen van tbs volgens het OM onmogelijk is. Dat is het resultaat van het rapport van het Pieter Baan Centrum, dat De B. volledig toerekeningsvatbaar heeft verklaard. Het OM noemt dit rapport ,,onbruikbaar'' wegens onjuiste uitgangspunten en werkwijze.

De B. stond de afgelopen maanden in hoger beroep terecht voor dertien moorden en vijf pogingen tot moord op patiënten tussen 1997 en 2001, toen zij in vier ziekenhuizen in en rond Den Haag werkte. In alle gevallen ging het om zeer jonge of juist oude patiënten. De rechtbank had De B. eerder wegens vier moorden en drie pogingen daartoe al tot levenslang veroordeeld. Het OM vroeg gisteren vrijspraak voor zes moorden en twee pogingen tot moord, waaronder één moord die de rechtbank bewezen had verklaard. Tijdens het hoger beroep bleek dat echter om een persoonsverwisseling te gaan. In de overige gevallen was er volgens het OM te veel twijfel over de onnatuurlijkheid en onverklaarbaarheid van de dood om moord bewezen te achten.

Centraal in het betoog van de advocaten-generaal stond de samenhang tussen alle verschillende zaken. Zijn de zaken op individuele basis misschien ,,gedoemd elk in een krappe vrijspraak te eindigen'', in samenhang bezien zouden zij volgens het OM tot een veroordeling moeten leiden. Een belangrijke rol daarbij speelt het statistische rapport dat in opdracht van het OM is opgesteld, en dat de aanwezigheid van De B. tijdens zoveel incidenten ,,niet met het toeval verenigbaar'' noemt.

Het OM legde de nadruk op dit ,,kettingbewijs'' omdat er weinig direct bewijs tegen De B. is. Er zijn geen getuigen, in een deel van de gevallen is onduidelijk hoe en waaraan de patiënt (bijna) overleed, en De B. ontkent.