Arabieren snakken naar hervorming

Arabische landen waren razend over het `Grote Midden-Oosteninitiatief' van president Bush voor het Midden-Oosten, maar hebben nu wel zelf een agenda voor hervormingen opgesteld, constateert David Ignatius.

Te midden van al het bloedvergieten en alle verbittering in het Midden-Oosten het afgelopen jaar heeft één goed idee dan toch wortel geschoten – het idee dat de Arabische wereld politieke en economische hervormingen nodig heeft om te overleven.

De horror show in Abu Ghraib heeft de hervormingsdrang niet gesmoord. Ook de moorden door Israëliërs en de zelfmoordaanslagen door Palestijnen hebben dat niet voor elkaar gekregen. Zelfs de rampzalige naoorlogse situatie in Irak, waar dromers ooit een Arabische modelstaat hoopten te zien verschijnen, heeft de vaart niet uit de hervormingen gehaald.

Het hervormingswerk gaat door, omdat de Arabieren snakken naar verandering, die ze gewoonweg kunnen ruiken. Bijna ieder dorp en ieder bedoeïenenkamp heeft tegenwoordig zijn schotelantenne, en die mensen zien wat voor wereld ze mislopen. Misschien zijn er een paar die zich willen aansluiten bij Osama bin Laden op zijn tocht terug naar de zevende eeuw, maar zij vallen in het niet bij de mensen die willen delen in de rijkdom en de vrijheid van de eenentwintigste eeuw – mits hun leiders de deur openzetten.

Het verlangen naar hervormingen was een van de thema's van een bijeenkomst van het World Economic Forum die onlangs in Jordanië is gehouden. De andere boodschap was de vijandigheid jegens de Verenigde Staten.

In de 25 jaar dat ik over het Midden-Oosten bericht, heb ik zelden zulke felle anti-Amerikaanse gevoelens meegemaakt. Koning Abdullah van Jordanië zei hierover pas: ,,Als vriend van de Verenigde Staten maak ik me voor het eerst werkelijk zorgen over deze houding ten aanzien van Amerika.''

Minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell kwam langs om te proberen iets van de schade te herstellen. In zijn keurige blauwe pak in de hete middagzon leek hij wel een soort diplomatieke boksbal – hij incasseerde klappen van Arabische en Amerikaanse interviewers over Abu Ghraib en over de weinig geslaagde pogingen van de regering-Bush om iets te doen aan het Israëlisch-Palestijnse conflict. Telkens wanneer Powell probeerde zich te verontschuldigen of iets goed te maken, wierp een Arabier hem voor de voeten dat hij hem beledigde.

Maar toch boekt zelfs in dit giftige terrein de lange mars van de hervormingen vooruitgang. De reden is dat de Arabieren hebben besloten dat het hún zaak is, niet die van Amerika. Een lompe poging van de regering-Bush twee maanden geleden om met iets dat ze het `Grote Midden-Oosteninitiatief' noemden, hun eigen hervormingen op te leggen, heeft de Arabieren razend gemaakt. Maar in plaats van te gaan zitten mokken, hebben zij nu hun eigen agenda voor hervormingen opgesteld, die ze volgens plan op 22 mei op een topconferentie van de Arabische Liga in Tunis zullen goedkeuren.

De Arabische Liga, die veel tijd verdoet met onderling geruzie en schimpscheuten naar Amerika en Israël, is niet bepaald een moreel baken. Maar als de groep de schets van vijf pagina's getiteld `Document over de ontwikkeling en modernisering van de Arabische wereld' onderschrijft, brengt ze iets van belang tot stand. Volgens een bron die naar zijn zeggen citeerde uit een ruwe vertaling van het stuk, zou het pleiten voor steun aan ,,democratie, verbreding van de politieke besluitvorming, gerechtelijke onafhankelijkheid, vrijheid van meningsuiting en rechtszekerheid in een bestel dat de rechten van alle burgers respecteert''.

Het document is meer een beginselverklaring dan een plan voor actie, en de mooie woorden zullen een politieke gevangene in Egypte of Syrië weinig troost bieden. Maar het is een begin.

De Jordaanse minister van Buitenlandse Zaken Marwan Muasher, die het Arabische streven om zich het hervormingsproces toe te eigenen heeft gestimuleerd, merkt op hoever het debat al is gevorderd: ,,Een jaar geleden waren hervormingen in de meeste Arabische landen volstrekt niet in beeld'', zegt hij. ,,En nu is het debat verschoven van het afbakenen van de elementen van de hervormingen naar hoe ze moeten worden verwezenlijkt.''

Als de Arabische leiders het hervormingsplan aannemen, kunnen zij het meenemen naar de topconferentie van de G-8, de groep grote industrielanden, in het Amerikaanse Sea Island (Georgia) in juni.

De Verenigde Staten hebben de leiders van Bahrain, Jordanië en Jemen (en die van Afghanistan, Pakistan en Turkije) uitgenodigd voor een lunch met de G-8-leiders op 9 juni. De regering-Bush hoopte dat Egypte en Saoedi-Arabië ook zouden komen, maar die hebben vooralsnog verzocht niet te worden uitgenodigd, wat ons eraan herinnert dat er op dit pad nog de nodige voetangels en klemmen liggen.

De economische reuzen die in Sea Island bijeenkomen, zijn wijselijk van plan om op het punt van de Arabische hervormingen meer te luisteren dan te doceren. Voorstellen voor westerse hulp zullen merendeels terughoudend worden gepresenteerd, voor projecten als `microfinanciering' om de vorming van een Arabische middenklasse te steunen, nieuwe opleidingen voor leraren om het onderwijs te verbeteren, en nieuwe forums voor politieke dialoog.

Belangrijk is nu dat een hervormingsproces op het punt staat te beginnen, mét steun van de Arabieren. De regering-Bush lijkt eindelijk te begrijpen dat je veranderingen onmogelijk van buitenaf kunt opleggen. De Arabische leiders zullen er achter komen dat de veranderingen, wanneer ze eenmaal op gang gekomen zijn, van binnenuit onmogelijk zijn tegen te houden.

In het geteisterde Midden-Oosten komt hier ten minste één bloempje op uit het zandzijn kopje uit het zand.

David Ignatius is columnist.

© Washington Post Writers Group