Alleen de doden maken geen geluid

In Rafah klinkt maar één monotoon verhaal, het verhaal van de Israëlische `catastrofe'. Alleen de details verschillen van persoon tot persoon. Weer gedwongen verhuizen, voor de vierde keer in drie jaar.

Het is nooit stil in Rafah, ground zero van het Palestijns-Israëlische conflict. 's Nachts zware, ver dragende explosies van inslaande raketgranaten en mijnen, minutenlang machinegeweervuur, droge pistoolschoten en ambulancesirenes. Overdag een geluidsbrij van blèrende radio's, kinderen die zich stierlijk vervelen, televisies, moskeeën en bulldozers. In de muur van decibellen worden leemtes gevuld door het sonore wespengebrom van onafgebroken patrouillerende, onbemande verkenningsvliegtuigjes.

De monotonie van het geluid in de vluchtelingenkampen en woonwijken langs de grenzen met Egypte en het joodse nederzettingenblok Gush Katif is verpletterend. Even geestdodend als de levens en de verhalen van de bewoners over hun geschiedenissen en actuele belevenissen tijdens de manoeuvres van het Israëlische leger, die het etiket Operatie Regenboog heeft gekregen. In Blok O, Blok J, Brazil, Kamp Canada of Tel Sultan is er maar één, obsessief verhaal en dat is het verhaal over de ,,de situatie'', of zoals de ouderen, die de oorlog van 1948 nog hebben meegemaakt, zeggen ,,de catastrofe'' (Al Nakba). Alleen de details verschillen van persoon tot persoon.

Neem Tala Zanoun, die zijn achternaam pas geeft als een Palestijnse journalist heeft verzekerd dat de Nederlandse verslaggever geen spion is. Tala is hoofd van de Zanoun-familie in Blok O, waar hij 35 jaar geleden ook geboren is. Hij is dit weekeinde voor de vierde keer in drie jaar met zijn vrouw en twaalf kinderen verhuisd. Vluchten kan niet – want waar naartoe – maar een paar straten verkassen is wel mogelijk. Van een vlucht op grote schaal blijkt geen sprake te zijn, wel van een verplaatsing van het ene krot naar de andere bouwval. Zijn eerdere `huizen' lagen vlak aan de Philadelphi-route, de grenscorridor, en zijn gesloopt.

Hij laat zijn nieuwe onderkomen zien: twee schuren die met een overdekt binnenplein met elkaar verbonden zijn. Op het tapijt stalt hij de restanten uit van groen/bruine hulzen van tankgranaten die zijn eerdere huizen verwoest zouden hebben. Zanoun is – al vijf jaar – werkloos, net als iedere man in het blok. En wie niet werkloos is wordt betaald door een internationale instelling of door de Palestijnse Autoriteit, want gewoon werk is er allang niet meer in dit deel van de Gazastrook.

Zijn verhaal verschilt niet wezenlijk van dat van Insra Abanasha (62), die gisteren haar bepakte ezel langs puinhopen van brokken beton en verwrongen staal leidde om haar huisraad – matrassen, kookgerei en een plastic watertank – op te halen. Ze is geschiedenis in levenden lijve. Geboren in Beersheva in de Negev-woestijn en opgegroeid in Jaffa – allebei Israëlisch gebied. Vervolgens woonde ze als tiener in Libanon. Als getrouwde vrouw is ze in de Gazastrook terechtgekomen. Een leven lang op de vlucht. ,,We kunnen nergens meer naar toe. Wat zijn ze aan het doen met ons? Waarom doet niemand iets?''

Als bij Tala Zanoun de koffie is geserveerd, komen de vermeende smokkeltunnels ter sprake, de tunnels waar het Israëlische leger allemaal om te doen zou zijn. ,,Daar zijn wij veel te arm voor. Je moet een startbudget hebben van 30.000 dollar om een tunnel aan te leggen. Hoe kan dat met een gezin van vijftien? We hadden in ons blok geen enkele tunnel. De Israëliërs graven die tunnels zelf en geven ons dan de schuld. Ze graven met hun handen en machines. Zij willen ons opnieuw op de vlucht jagen.''

Zijn verhaal is oncontroleerbaar in een uithoek van de wereld, waarin geruchten, verzinsels en wederzijdse propaganda het zicht op de waarheid ontnemen als een woestijnstorm. Het gesprek wordt afgekapt als gewapende mannen poolshoogte komen nemen. Zij zoeken naar spionnen en collaborateurs en vertellen alleen dat zij ,,strijders'' zijn, die liever sterven als ,,martelaren'' dan ,,nog langer in deze hel te leven''. Onderwijl wordt bekend dat in Tel Sultan, waar vanochtend opnieuw doden zijn gevallen, alle mannen tussen 16 en 60 jaar oud de wijk moeten verlaten. Met witte (zak)doeken en de handen in de lucht moeten ze zich melden bij een school. Het leger zegt te zoeken naar mortierlanceerinstallaties.

Er zijn maar weinig plekken in het afgegrendelde Rafah waar de andere, moderne wereld dichtbij is. Internetcafé Smart.isp van Mussa Pelbessi (33) bijvoorbeeld is een van die plaatsen. Het bedrijfje van Mussa, drie jaar geleden gestart met een lening van 10.000 dollar is, naast de handel in munitie en wapens, de enige groeisector van het stadje. Voor 25 eurocent per uur kan hier een uur ge-internet worden en 40 computers zijn vrijwel altijd bezet. ,,Hotmail, chatten met vrienden en spelletjes: daar komen de jongeren voor. De behoefte aan spelletjes is enorm.''

Ouderen komen vooral om te e-mailen en om de nieuwssites van de Arabische televisiezender Al-Jazira te bekijken. Zij lezen, voor zover zij dat al niet allang wisten, dat onder de twintig Palestijnse doden drie kinderen zijn: een meisje van 16 en haar broertjes werden doodgeschoten toen zij de was van de lijn wilde halen. En zij lezen ook dat Operatie Regenboog de grootste militaire actie van Israël is sinds de Zesdaagse Oorlog van 1967. Waar die bewering op gebaseerd is blijft onduidelijk, want niemand weet hoeveel soldaten en tanks zijn ingezet. Voor zover dat wat zegt: de schattingen lopen op tot 45 tanks.

`De situatie' ontwijken is een illusie, ook in Smart.isp, want achter een arsenaal computers liggen opgerolde spandoeken van Hamas en twee medewerkers komen zwaar bewapend en in militair tenue langs om te zeggen dat zij morgen niet komen werken. Vragen naar het waarom van die wapens en de plannen voor die nacht worden afgewimpeld met een nors: ,,Iedereen hier wil vechten tegen de bezetters.''

Gezwollen retoriek, maar zeker voor jongeren – en daar zijn er in Rafah heel veel van – representatief. De groene rouwtenten, waar dag en nacht families worden gecondoleerd zijn allemaal voorzien van verfraaide en geïllustreerde foto's van de overledenen. Met uitzondering van een 45-jarige omstander bij een raketaanval zijn alle doden jonger dan 23 jaar en de meesten waren gewapend en stierven in vuurgevechten.

In het kleine ziekenhuis Al Najjar schrijft geneesheer-directeur Ali Mussa met een van vermoeidheid trillende hand de namen op van de 19de en de 20ste dode, die net naar het mortuarium zijn gebracht. In de gangen en op de trappen naar het mortuarium barsten gewapende mannen en gesluierde vrouwen in woedend gehuil uit als het nieuws over de doden door de chaotische en vervuilde gangen en kamers wervelt.

Zelfs enkele gewonden weten nog met bebloede verbanden en infusen aan de collectieve woede-uitingen deel te nemen. ,,Met de sloop van ieder huis, met de dood van ieder kind, iedere jongen, iedere bejaarde omstander wordt een nieuwe generatie van vijanden van Israël gekweekt'', weet de arts zeker.

    • Oscar Garschagen