Voor individuen is het oorlogsrecht een wassen neus

Wil het oorlogsrechtssysteem zich niet irrelevant maken voor de mensen wier belang het beoogt te beschermen, dan is het hoog tijd dat het wordt gemoderniseerd, meent Liesbeth Zegveld.

Morgen staat de eerste Amerikaanse militair voor de Amerikaanse krijgsraad in Bagdad terecht voor mishandeling van gedetineerden in de Abu Ghraib-gevangenis. Het is een eerste voorzichtige stap naar genoegdoening voor de talloze slachtoffers die in de oorlog tegen Irak zijn gevallen.

Het aantal burgerslachtoffers sinds de Amerikaans-Britse aanval op Irak, op 20 maart 2003, wordt geschat op 20.000. Daar komen nu de mishandelingen in de Abu Ghraib-gevangenis en andere Iraakse detentiecentra bij. De Amerikanen houden ongeveer 23.000 mensen gevangen, voornamelijk burgers. Van hen is volgens het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) tussen de 70 en 90 procent per vergissing aangehouden.

Waar kunnen de Iraakse slachtoffers van mishandeling en ander oorlogsgeweld hun recht halen? Kunnen zij onder het oorlogsrecht enige vorm van genoegdoening of compensatie krijgen?

Anders dan ten aanzien van de gevangenen op Guantánamo Bay, draait de discussie niet om de vraag of de Iraakse gevangenen vallen onder de Geneefse Conventies van 1949 – dat is voor iedereen duidelijk. Zo heeft de Amerikaanse minister van Defensie, Rumsfeld, verklaard dat alle gevangenen in Irak de bescherming van deze verdragen genieten. Hij heeft ook gezegd zich volledig gebonden te achten aan de Geneefse Conventies.

Ook lijdt het inmiddels geen twijfel meer dat de regels van deze Conventies zijn geschonden. Kern van het Geneefse rechtssysteem is dat bepaalde categorieën personen onder alle omstandigheden moeten worden beschermd tegen de macht die de oorlog aan een partij verschaft over individuen behorende tot de andere partij. Voor de Abu Ghraib-gevangenen zijn vooral de Derde en Vierde Geneefse Conventie van belang. Het Derde Verdrag ziet toe op de behandeling van krijgsgevangenen, dat zijn dus gedurende de oorlog gevangen genomen Iraakse militairen. Het Vierde Verdrag beschermt burgers die zich in de macht van de oorlogvoerende partij of de bezetter bevinden.

De Geneefse Conventies verbieden niet de arrestatie en detentie van Irakezen. Wel stellen ze hier tal van procedurele en inhoudelijke eisen aan. Geweld tijdens arrestaties en detentie is verboden en kan onder omstandigheden een oorlogsmisdrijf opleveren. Krijgsgevangenen zijn voor de Amerikanen en Britten van belang als mogelijke bron van inlichtingen. Zij mogen worden verhoord. Maar zij mogen niet worden onderworpen aan lichamelijke of geestelijke dwang, zoals het opzetten van een kap, te strakke handboeien, slaan en schoppen, en (seksuele) vernedering.

Genoegdoening voor de Iraakse slachtoffers van het Amerikaanse en Britse oorlogsgeweld kan liggen in de bestraffing van de daders. Zeven Amerikaanse soldaten zijn inmiddels aangeklaagd, van wie de eersten morgen voor moet komen. Daarmee voldoen de Verenigde Staten aan de verplichting onder de Geneefse Conventies om ernstige schendingen van dit recht te bestraffen. De aangeklaagden zijn echter vooralsnog alleen individuele militairen op de laagste niveaus. Inmiddels is duidelijk dat de wantoestanden in de Iraakse

detentiecentra geen incidenten zijn, maar onderdeel van een systematische praktijk. Vervolging van leidinggevenden, zowel in Irak als in de Verenigde Staten, ligt dan ook voor de hand. Bovendien gaat het nu alleen om de behandeling van gevangenen; geen enkele Amerikaan is nog berecht voor het oorlogsgeweld in brede zin dat talloze burgers het leven en hun bezittingen heeft gekost.

Het Speciale Tribunaal voor Irak dat op 10 december 2003 is opgericht in Bagdad, heeft de Iraakse oorlogsslachtoffers ook weinig te bieden. Dit Tribunaal heeft geen bevoegdheid om vergrijpen door de bezetters te berechten. Het mandaat van dit Tribunaal is beperkt tot inwoners van Irak voor misdrijven gepleegd tussen 1968 en 1 mei 2003. Het Tribunaal mag dus wel de misdrijven begaan door Irakezen tegen de Amerikanen en de Britten berechten, maar de wandaden begaan door de coalitietroepen blijven buiten schot.

Ook gewone rechtbanken in Irak mogen geen zaken behandelen tegen Amerikaanse of Britse soldaten of tegen andere vreemde troepen, zo heeft het Amerikaanse gezag in Bagdad verordonneerd.

Bestaat op internationaal niveau dan wellicht een rechtsingang voor de Iraakse oorlogsslachtoffers of hun nabestaanden? De instantie bij uitstek om oorlogsmisdrijven te berechten is het Internationaal Strafhof in Den Haag. De Verenigde Staten hebben de rechtsmacht van dit Strafhof echter niet erkend. Amerikaanse militairen kunnen dan ook niet door dit hof worden vervolgd. Dit ligt anders voor de Britse militairen. Er zou al een aanklacht tegen Blair en de zijnen bij het Strafhof liggen. Het is echter onwaarschijnlijk dat de aanklager van het Internationaal Strafhof in zijn eerste zaak een onderdaan van een westers land, dat ook nog een permanent lid van de Veiligheidsraad is, wil aanklagen.

Het oorlogsrecht heeft de Iraakse slachtoffers van oorlogsmisdrijven dus niet veel te bieden. En de bezetters in Irak hebben tot op heden geweigerd een aparte rechtsgang te creëren waar Iraakse slachtoffers of hun nabestaanden zelf hun recht kunnen halen of schadevergoeding kunnen vragen. In een aantal gevallen hebben de Amerikanen en Britten Irakezen gecompenseerd voor hun leed. Maar dit wordt gezien als een discretionaire bevoegdheid, waartoe ze niet verplicht en slechts in beperkte omstandigheden bereid zijn. Bovendien zien de Amerikanen de compensatie slechts als een administratieve afwikkeling, die geen erkenning van juridische aansprakelijkheid inhoudt. De bedragen die zijn uitgekeerd, zijn ook nog eens on-Amerikaans laag.

Een verklaring voor het ontbreken van genoegdoening voor oorlogsslachtoffers is dat oorlogvoeren van oudsher wordt gezien als een exclusieve aangelegenheid van staten en dat willen staten ook graag zo houden. Afwikkeling van oorlogsschade wordt gezien als onderdeel van het buitenlands beleid waarin individuen geen rol spelen. Een ander argument dat tegen individuele vorderingen wordt gebruikt, is dat het aantal potentiële rechtszaken dat voort kan vloeien uit een oorlog, de capaciteit van ieder rechtssysteem te boven zou gaan.

Het oorlogsrecht loopt hier ver achter op ontwikkelingen in het internationaal recht waarin de individu een steeds centralere rol is gaan innemen. Een voorbeeld zijn de mensenrechtenverdragen, zoals het Internationaal Verdrag voor Burger- en Politieke Rechten. Onder deze verdragen heeft ieder individu het recht niet te worden onderworpen aan foltering en kan hij zijn recht – en soms schadevergoeding – eisen bij nationale en internationale rechtbanken. Hoewel het oorlogsrecht verschillende mensenrechten bevat, ontbreekt het meest cruciale recht: het recht om deze rechten op te eisen.

Wil het oorlogsrechtsysteem zichzelf niet irrelevant maken voor de mensen wier belang het beoogt te beschermen, dan is het hoog tijd dat het wordt gemoderniseerd. Bovenaan de lijst van aanpassingen dient te staan de invoering van een rechtsingang voor individuele slachtoffers.

Liesbeth Zegveld is advocaat en deskundige op het terrein van het oorlogsrecht.