Syndroom van Down 1

Paul Cobben bespreekt in Opinie & Debat van 8 mei de rapportage van de Gezondheidsraad die prenatale screening op en de mogelijkheid van een abortus bij het syndroom van Down voor elke vrouw mogelijk wil maken. Hij laakt het uitgangspunt van het rapport, namelijk de menselijke autonomie. De reden is dat dat leidt tot een ongewenste tweedeling tussen mensen met het syndroom van Down, die immers niet autonoom zijn, en de rest. De categorische imperatief van Kant gaat uit van autonome individuen en vereist dat hij de ander niet als middel tot doel mag gebruiken.

Akkoord, een afwijzing van abortus dus, n'ímporte de vraag of een ongeboren vrucht onder de categorie menselijke autonomie valt. Eigenlijk een afwijzing derhalve van iedere abortus.

Vervolgens schakelt Cobben over op een communitaristische ethiek en zegt hij dat autonomie niet een individueel goed is, maar een maatschappelijk goed: mensen erkennen elkaar als autonoom en het heeft geen zin daarin gradaties aan te brengen, omdat we geen standaard hebben om de mate van autonomie aan af te meten. Akkoord, weer een afwijzing, en weer een afwijzing van iedere abortus, n'importe de vraag of we aan een ongeboren vrucht maatschappelijke autonomie moeten toekennen. De redenering komt op dood spoor als Cobben overschakelt op een utilitaristisch aandoende ethiek, namelijk door het leed dat ouders lijden te stellen tegenover het geluk dat ouders beleven aan een kind met het syndroom van Down. De eigen gemoedsgesteldheid dus. In wezen niet verschillend van het plezier of ongemak dat je aan een huisdier beleeft. Zo werkt hij zich in een patstelling die hij alleen kan doorbreken via een indirecte zelfprijzing: ouders die goed voor een gehandicapt kind zorgen, dwingen vaak zoveel bewondering af en Cobben is zelf zo'n gelukkige ouder, want hij heeft een mongoloïde zoon. Een derde afwijzing.

Hij besluit zijn betoog met een oneigenlijke vraag: zou hij, zijn zoon aanziende, indien hij voor zijn geboorte kennis had van zijn afwijking tot een abortus besloten hebben? Nee natuurlijk. Een vierde afwijzing.

De vraag zou echter moeten luiden: zou hij, bij een hernieuwde zwangerschap, en wetende dat de vrucht opnieuw het syndroom van Down zou hebben, opteren voor een tweede kind met het syndroom van Down? Het antwoord moet welhaast een volmondig ja zijn, want uit het betoog blijkt dat Cobben tegen elke vorm van abortus is, omdat hij een ongeboren vrucht de gelijke acht van een volwassen mensenkind.