Nieuw Duitsland

cheurtjes in het beeld van totaal foute Duitsers, stond er gisteren boven een boeiend gesprek van de Berlijnse correspondent van de Volkskrant met de Duitse historicus Jörg Friedrich over diens anderhalf jaar geleden gepubliceerde boek Der Brand, dat een bestseller werd. Vandaag verschijnt het in vertaling bij uitgeverij Mets en Schild te Amsterdam (De Brand geallieerde bombardementen op Duitsland 1940-1945). Het beschrijft de Amerikaans-Britse bombardementen op Duitse steden in de Tweede Wereldoorlog en de enorme aantallen slachtoffers onder de burgers en de immense verwoestingen die daarvan het gevolg waren. En het werpt de vraag op of die bombardementen uit militair oogpunt wel zo nodig waren, zeker die in 1944, 1945 op het met vluchtelingen volgelopen Dresden bijvoorbeeld. Of juister: Friedrich ziet die geallieerde acties als meestal verwerpelijke slachtpartijen. Zoals hij ook de manier veroordeelt waarop het Rode Leger in het oostelijke Duitsland van 1944, 1945 huishield, vooral jegens vrouwen en vluchtelingen. Dat doet hij, wat zijn boek sterk maakt, zonder eraan voorbij te gaan dat nazi-Duitsland de oorlog was begonnen en zich bovendien, naast de geindustrialiseerde miljoenenmoord op de joden, zelf al eerder schuldig had gemaakt aan terreurbombardementen op steden als Rotterdam, Coventry, Londen en Warschau.

De inhoud van Friedrichs boek is niet nieuw. Nieuw en opmerkelijk is de toon ervan en het succes dat het heeft in het Duitsland van vandaag. Dat succes markeert, tot op zekere hoogte dan, een psychische verandering die Duitsland doormaakt, zijn voortgaande `normalisering' zo men wil, sinds de eenwording in 1990 en het einde van de Koude Oorlog en de Europese deling. Het is nog maar twaalf jaar geleden dat er in Duitsland protesten opklonken tegen de onthulling van een monument in Londen voor generaal Harris (`Bomber Harris'), destijds de hoogste militair verantwoordelijke voor de Britse bombardementen. Maar ja, toen kwam koningin Elizabeth op staatsbezoek naar Duitsland, dus verklonken die protesten snel onder officiële vriendelijkheden.

In 1992 ook vroeg Günter Grass, wiens eerste grote romans (Die Blechtrommel bijvoorbeeld) Duitse wandaden tekenden, in zijn boek Im Krebsgang aandacht voor het vaak gruwelijke lot van de Duitse vluchtelingen aan het einde van de oorlog. Dat werk wekte verbazing, want hier werden Duitsers als slachtoffers beschreven, maar het kwam misschien toch nog te vroeg om als aanjager van een nieuw Duits debat over het verleden en de nationale identiteit te kunnen fungeren.

Maar dat debat zat er aan te komen. Voorbeelden waren er genoeg. Het soms woedend becommentarieerde verzet van de schrijver Martin Walser, net als Friedrich een kind van 1968 en net als Friedrich en Grass oorspronkelijk een kind van opstandig links, tegen de canonisering van Duitsers als collectief schuldigen en de `verstening' daarvan in monumenten en Gedenkstätten in alle steden en dorpen, was zo'n voorbeeld. De discussies over de `rechtsnationale' auteur Botho Strauss of de jarenlange twisten over plaats en vorm van een holocaustmonument in Berlijn waren andere voorbeelden. De opvolging, na tien zeer gewetensvolle en in Europa steeds hooggewaardeerde jaren, van de buitengewoon hoogstaande Richard von Weizsäcker als bondspresident door de ongedwongen en `gewonere' Roman Herzog kon midden jaren '90 ook al als signaal van een zekere verandering worden gezien.

Het is verleidelijk om de inhoud, de toon en het succes van Friedrichs boek als een soort markering te zien van een volgende, in feite voorspelbare etappe in de Duitse naoorlogse geschiedenis. Eerst was er, na Stunde Null in 1945, een fase waarin, althans in de nog West-Duitse Bondsrepubliek, over het nazisme van `gisteren' niet of zo min mogelijk werd gesproken. Dat doordat de Koude Oorlog en de noodzaak van wederopbouw de decorbreedte bepaalden in de tijd van de Rijnlandse kanselier Adenauer en de briljante econoom Erhard.

Na 1968, een jaar waarin in Duitsland jongere generaties hun aspiraties en andere ambities extra en onderscheidende nadruk konden geven door juist heel veel te vragen over dat `eergisteren' van hun ouders en grootouders, raakt de Bondsrepubliek onder de SPD-kanseliers Brandt en Schmidt, en tot de Duitse eenwording onder Kohl, intern geliberaliseerd en welvarend als wereldkampioen export die echter niet geheel soeverein is. De Historikerstreit, kortweg: de vraag of Stalin niet even erg was als Hitler, liet intussen, afgezien van alle historische finesses, zien dat er absoluut geen ruimte was voor iets dat als eventueel impliciete relativering van de ernst van Duitse oorlogswandaden en de verantwoordelijkheid daarvoor van alle Duitsers kon worden uitgelegd. Dat gold, ook voor jongere generaties, als een thema waarop een strikt taboe rustte. Je was Europeaan, pas daarna Duits, en je hoorde bij het democratische Westen, waarin je met de beurs in de hand zelf netjes en ongevraagd toegaf dat het nationale eergisteren heel mis was geweest.

Maar dat kon natuurlijk niet zo blijven, zeker niet na de Duitse eenwording, zeker niet nu er alweer een nieuwe generatie opgroeit die van de Koude Oorlog of van de EU als integratiedoel alleen iets weet uit de geschiedenisles. De buren spreken trouwens niet meer zo vaak over eergisteren, ze vragen nu wat de opvattingen van Duitsers zijn en verwachten soms Duitse leiding in Europa.

Duitsland is nu een land waar een kanselier zijn herverkiezing bevordert door zijn campagne te voorzien van een scheut anti-Amerikanisme. Misschien heeft het succes van een boek over Angelsaksische bombardementen van zestig jaar geleden zelfs wat te maken met het huidige Angelsaksische militaire optreden in Irak. Als dat zo is, is het maar te hopen dat Duitsers straks niet nog een stap verder gaan. En dan, klagerig over tegenslagen in het vergrote en verdeelde Europa, over hun verplicht ingevoerde democratie gaan oordelen zoals Thomas Mann dat een kleine honderd jaar geleden namens zijn Kulturstaat deed in zijn Betrachtungen eines Unpolitischen. Dus als akelige `gelijkmakerij' en als verlogen uitvinding van revolutionaire Fransen en kapitalistisch-imperiale Angelsaksen.