Het rinkelen van de dog tags

Het is een zacht getingel dat eerst niet erg opvalt, maar dat langzaam de aandacht begint te trekken, terwijl de bezoeker ronddwaalt tussen de onbeholpen rouwsculpturen en de wilde uitspattingen in olieverf. Alweer een Edward Munch-achtige schreeuw om aandacht, opnieuw een betraand soldatengezicht. En ondertussen maar dat gerinkel, daarboven. Na alle posttraumatische stresskunstwerken, met namen als `Stille schreeuw' of `Dood van de onschuld' dan toch maar even omhoogkijken waar dat getingel vandaan komt – en daar aan het plafond hangt het ultieme oorlogskunstwerk: 58.226 dog tags, stalen identiteitsplaatjes met de namen van gesneuvelde Amerikaanse militairen. Replica's, maar het effect is er niet minder huiveringwekkend om, in Chicago's Nationale Museum voor de Kunst van Vietnam Veteranen.

In dat museum zijn meer dan 800 schilderijen, beeldhouwwerken en foto's verzameld die Vietnam-veteranen na hun terugkeer maakten om de horror van zich af te zetten. Het is rauwe slachtofferkunst, vol opengesperde ogen, zwarte monden en verwrongen ledematen. Een groep studenten uit de stad sjokt er plichtbewust langs, als onderdeel van hun geschiedenisles. ,,Heel primair'', vinden ze het, en ,,deprimerend''. De leraar in ribbroek, type ex-Vietnam-demonstrant, geeft uitleg en deelt gecorrigeerde tentamens uit. ,,Slecht gedaan'', zegt hij, ,,ze doen hun leeswerk niet.'' Aan de wand achter hem foto's van GI's voor brandende hutten. Een gedicht van de 14-jarige Hoang Sen: ,,Amerikanen zijn geen mooie mensen.''

Komt er, als de beschavingsmissie van George Bush en de zijnen tot een einde is gebracht, ook een museum voor de huiskamervlijt van getraumatiseerde Amerikaanse veteranen uit Irak? En wat moet daar dan komen te hangen: ook de 1.600 foto's van kwellingen uit de Abu Ghraib-gevangenis? ,,Ik schaam me kapot'', zegt een jongen met een geitensikje en zijn baseballpet achterstevoren. ,,Maar het maakt me ook kwaad, wat ze met die Nick Berg hebben gedaan. Niets lukt daar.''

Het begint bij deze studenten door te dringen, ook zonder de critici die altijd al tegen waren, dat de oorlog in Irak bezoedeld is: publicitair gebaseerd op leugens (op ,,foto's van ijscowagens die moesten doorgaan voor laboratoria voor biologische oorlogvoering'', aldus columnist Nicholas von Hoffman), intellectueel op ideologische verblinding, en juridisch op manipulatie van VN-resoluties. Als we niet welkom zijn, kunnen we beter vertrekken, heeft `bewindvoerder' Paul Bremer inmiddels gekrenkt gezegd. Het brengt de studenten in het Museum tot besmuikt mompelen.

De bijbelse versie van de oorlog die de regering verkoopt – de strijd van goed tegen kwaad – overtuigt allang niet meer, maar tegelijk wordt het moeilijk uit het gelid te stappen als er in Irak Amerikanen als Nick Berg onthoofd worden, die er wel een leuk avontuur in zagen.

Amerikanen leven onder een glazen stolp, schrijft Nicholas von Hoffman in een woest boekje over de oorlog. Ze leven in hun eigen gesloten realiteit waar de rest van de wereld maar moeilijk in doordringt – zoals een haai in een aquarium niet in de gaten heeft dat er mensen achter het glas staan die van hem schrikken.

Het is al een oud cliché over Amerika, dat vaak meer zegt over de Amerikabashers die het gebruiken dan over het land zelf (zoals de sneer van Jean Baudrillard dat ,,Disneyland alleen maar bestaat om de indruk te wekken dat de rest van het land wel echt is'').

Maar wie na een bezoek aan dit larmoyante veteranenmuseum de regering-Bush in actie ziet, begint het cliché te begrijpen. Irak overeind helpen was vooral een kwestie van het bedrijfsleven up and running krijgen, zei Condoleezza Rice kort voor het begin van de oorlog monter tegen de Egyptische krant Al-Ahram. En wat zegt de belaagde minister van Defensie Donald Rumsfeld nu? ,,Ik lees geen kranten meer'', riep hij vorige week donderdag vrolijk tegen de troepen in Bagdad. In plaats daarvan is hij verdiept in een biografie van Ulysses S. Grant, de legendarische generaal uit de Amerikaanse Burgeroorlog. Een conflict waarin elke dag ,,duizenden doden'' vielen en de president het in de media ook al voor zijn kiezen kreeg, aldus de minister van Defensie.

Het is een bijna obscene vergelijking, die meer getuigt van hang naar mythologie dan van werkelijkheidszin. De bewindsman onder wiens verantwoordelijkheid van Guantánamo Bay tot Bagdad een loopje wordt genomen met de mensenrechten en de principes van de rechtsstaat, betreurde natuurlijk het wangedrag van ,,een handjevol'' in Abu Ghraib, en beloofde herhaling onmogelijk te zullen maken. Maar de ondertoon was: wat geeft het, want Amerika is nu eenmaal ,,wezenlijk goed'' en belichaamt, in de woorden van Abraham Lincoln, ,,de laatste, beste hoop van de mensheid''.

Voor wie de ellende desondanks te veel wordt, is er 's avonds op televisie de sympathieke therapeut dr. Phil, die de kijkers vertelt dat het ,,niet erg is om je gezicht af te wenden'', omdat ,,de Amerikaanse psyche'' niet nodeloos hoeft te worden belast met zulke zelfkwelling. Doe liever iets positiefs in je kerk, of in een opvangtehuis voor daklozen.

Maar ook dat klinkt alsof Amerika zich schrap zet voor een harde les. De paradox waar wij Amerikanen nu voor staan, merkt David Brooks op in The New York

Times, is dat om te winnen – dat wil zeggen om van Irak een vrij en democratisch land te maken – we eerst moeten verliezen. Dat is het gevolg van de ,,kinderlijke fantasie'' waarmee Bush ten strijde is getrokken tegen Irak, en die hem onderscheidt van het ,,ruige idealisme'' van een voorganger als Franklin Roosevelt die het land door de Tweede Wereldoorlog loodste. Roosevelt was zich volledig bewust van ,,de tragische ironie dat Amerika's kracht ook zijn zwakte is'': de verpletterende macht en arrogantie van Amerika wekken angst en woede, ondanks alle goede bedoelingen en ook, of juist, bij degenen die bij het gebruik van die macht baat kunnen hebben. Het zelfrespect van de Irakezen vereist nu dat ze, nadat Saddam voor hen is opgeruimd, zelf de Amerikanen verjagen.

Die ironische dialectiek is niet besteed aan George Bush, voor wie de wereld in eenvoudige morele termen te vatten moet zijn en die niet gelooft in analyses van een probleem ,,die niet op een bumpersticker passen'', zoals zijn critici zeggen. Dat heeft het voordeel van de eenvoud, maar dat voordeel verdampt snel in de echte, ingewikkelde wereld. Het gevolg: teleurgestelde eenvoud slaat om in rancune, zoals bij Rush Limbaugh, de rechts-populistische radioster, die het conflict in Irak na de onthoofding van Nick Berg aldus samenvatte: ,,Zij zijn gestoord, zij zijn pervers, zij zijn gevaarlijk, zij zijn subhumaan. Zij zijn menselijk vuilnis. Niet onze soldaten, en niet onze gevangenbewaarders.''

Morele arrogantie, kinderlijk idealisme, realiteitsverlies, een grotendeels jeugdige bevolking die te mobiliseren is voor een ideologische oorlog – het zijn typeringen die je vandaag de dag in de `botsing van beschavingen' vaak hoort over de Arabische of islamitische wereld: daar zou men pas buiten de moderne wereld staan. Maar ze gelden evengoed voor het Amerika van George Bush.

In het andere Amerika, dat wel begrijpt dat macht en moraal niet samenvallen, waar argwaan over de wereldstrategie van Washington en loyaliteit aan de troepen ter plaatse om voorrang vechten, rinkelen intussen de dog tags.