Folterpraktijken kennen slechts verliezers

Wie kan, als het erop aankomt, met de hand op het hart verklaren dat hij folteren zelfs niet zou goedkeuren als hij wist dat de gedetineerde over informatie beschikt die duizenden levens zou kunnen redden? Dat is in de lange discussie over de morele toelaatbaarheid van folteren altijd de crux geweest.

In 1979, bijna twintig jaar na onthullingen dat ten tijde van de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog tegen het koloniale Frankrijk was gefolterd, publiceerde Jacques Massu, de Franse bevelhebber tijdens de slag om Algiers, zijn memoires waarin hij zijn beleid verdedigde. De man die in zijn privé-leven iets heeft proberen goed te maken door twee Algerijnse wezen te adopteren, betoogde dat in tijden van uiterste nood folteraars verantwoordelijke overheidsdienaren kunnen zijn.

Drie jaar geleden verschenen de memoires van nog een hoge Franse generaal, Paul Aussaresses. ,,De eerste keer dat ik iemand folterde'', schreef hij, ,,was het nutteloos: de man is gestorven zonder iets te zeggen. Van zijn dood had ik geen spijt. Ik had hooguit spijt omdat hij niet had gepraat.''

Maar hierop zei Massu – toen in de negentig – dat hij tot de overtuiging was gekomen dat foltering ,,in oorlogstijd niet onontbeerlijk [is]; wij hadden een andere manier moeten vinden – maar hoe?''

Dat is precies de vraag die het gros van de samenleving liever uit de weg gaat. Het heet een zonde, maar in buitengewone omstandigheden zien wij het door de vingers. Toen in 1998 het voormalige Chileense staatshoofd generaal Augusto Pinochet in Londen werd aangehouden en van foltering werd beschuldigd, betoogde zijn advocaat volkomen correct: ,,Overal wordt gefolterd, ook in Groot-Brittannië en Noord-Ierland.''

Hoe moet je anders de griezelige stilte verklaren na de gedetailleerde onthullingen in de Washington Post zestien maanden geleden? Op basis van overvloedige getuigenverklaringen brachten de berichten aan het licht dat Amerikaanse veiligheidsagenten van terrorisme verdachte personen hadden gefolterd op de luchtmachtbasis Bagram bij Kabul en op Diego Garcia, een Amerikaanse basis buiten het bereik van de Amerikaanse rechter. Andere verdachten waren uitgeleverd aan de inlichtingendiensten van Jordanië, Egypte en Marokko, die deden wat de Amerikaanse functionarissen misschien liever niet deden.

De schrijvers van de reportage hadden de indruk dat een aantal nauw betrokken functionarissen er ruchtbaarheid aan wilden geven. In het besef dat een en ander ethisch en juridisch twijfelachtig was, wilden zij weten waar in de ogen van het publiek de grenzen lagen. Meer dan een indirect antwoord kregen zij niet. De overige media schonken slechts terloops aandacht aan het verhaal, het Congres negeerde het en de regering legde het naast zich neer.

Alles hangt natuurlijk af van het moment. Toen de Verenigde Staten succes hadden in Afghanistan en er goede hoop was dat zij dat succes in Irak zouden herhalen, wilden maar heel weinig mensen van zoiets een punt maken.

Maar nu de VS militair nog niet, maar psychologisch al wel in het nauw zitten, gevoegd bij het feit dat het om fotografisch bewijsmateriaal gaat, is de verleiding om moreel een hoge toon aan te slaan onweerstaanbaar. Dit alles onderstreept de ambiguïteit van de menselijke aard des te schrijnender.

En deze ambiguïteit gaat ver terug. Nadat Rome de vroege christenen had gefolterd, heeft de kerk, in haar ontsteltenis daarover, duizend jaar lang haar invloed gebruikt om te zorgen dat het folteren in Europa werd afgeschaft. Maar toen zij in de tijd van de inquisitie onder druk kwam te staan, voerde zij het folteren weer in. In de zeventiende eeuw raakte het folteren weer in onbruik. In 1640 werd het in Engeland afgeschaft – behalve voor `heksen'. In Frankrijk en Italië pleitten Voltaire en Beccaria er hartstochtelijk tegen, en na de revolutie van 1789 werd het een halsmisdaad.

In de twintigste eeuw is het folteren in alle hevigheid teruggekeerd – in Stalins Sovjet-Unie, Hitlers Duitsland, Mussolini's Italië, Franco's Spanje en altijd weer, zij het niet zonder onderbrekingen, in het door de Britten bestuurde Ierland.

In 1972 begon een jong Amnesty International een campagne voor een antifolterconventie van de Verenigde Naties. In 1981 verwierf het de steun van Zweden, dat zich als eerste land voor deze zaak inzette. In 1984 hebben de VN ten slotte een wettelijk bindend verdrag tegen het folteren aangenomen. Dat verdrag is vrij spoedig door de meeste VN-leden, waaronder de VS van Ronald Reagan en het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher, geratificeerd.

Weer leek folteren het tij tegen te krijgen. In 1999 besloot het Hogerhuis als eerste hooggerechtshof ter wereld dat de immuniteit van een soeverein niet mocht uitlopen op soevereine straffeloosheid, en dat onder de conventie Pinochet kon worden vervolgd.

En toch, zegt Amnesty, wordt in de meeste landen nog altijd gefolterd.

Dat neemt niet weg dat folteren voor zover bekend maar zelden met succes de waarheid aan het licht brengt – hooguit een deel ervan. Meestal dient het ter onderdrukking, intimidatie en vernedering. Zeker is dat het, naar velen later hebben getuigd, de folteraars innerlijk aantast. En waarschijnlijk tast het de landen die het toelaten diepgaand aan. Zonder twijfel schaadt het hun reputatie, ondermijnt het hun geloofwaardigheid en verzwakt het hun vermogen om de beoogde veranderingen tot stand te brengen.

Ditmaal lijken door het folteren Amerika en Groot-Brittannië de slag om hoofd en hart van de islamitische wereld reddeloos te hebben verloren.

Jonathan Power is publicist.