De enige echte dominante vouwfiets

De wetten van de markt zijn ondoorgrondelijk. Neem de vouwfietsenmarkt. In Nederland zijn circa zestig typen vouwfietsen te koop, verdeeld over zo'n vijftien merken. Je zou verwachten dat de vouwfiets die in de jaren zestig definitief doorbrak, een uitgerijpt massaproduct is, met harde concurrentie waardoor de consument waar voor zijn geld krijgt, en met een breed assortiment merken en typen afgestemd op verschillende nichemarkten. Maar het tegendeel is waar, het lijkt wel of de vouwfiets pas is uitgevonden. Er is maar één dominante vouwfiets, een pionier als het ware, en de rest cirkelt er krachteloos omheen. Ik heb het over de Brompton en de concurrenten.

Wel is het goedkope barrel dat veertig jaar geleden de markt overspoelde, nagenoeg verdwenen. Je ziet ze nog wel eens bij het grofvuil staan, verbogen en roestig, maar niemand die ze meeneemt – ze fietsten voor geen meter. En veel vouwplezier beleefde je er ook niet aan, ze bleven groot en stakerig. Volgens de fietsersbond (www.fietsersbond.nl) is er toch nog wel een te koop, de Rhino Weekendstar, voor 136 euro. Waarom kopen mensen niet massaal goedkope vouwbarrels? In alle andere marktsegmenten is het aan de onderkant van de markt het drukst.

Verder is er dan het fenomeen DiBlasi. Het zijn loodzware, grote dingen met een wonderlijk vouwsysteem, die helaas weinig fietsgenot geven voor de 645 euro die ze kosten. Ze worden in watersportwinkels verkocht aan watersporters die denken dat ze iets handigs kopen. Buiten de watersport zie je ze vrijwel nergens.

In de gewone vouwfietsenhandel kun je de markt het eenvoudigst samenvatten met `Brompton en de rest'. De Engelse Brompton, genoemd naar de Londense wijk waar de fabriek staat, kwam zo'n twintig jaar geleden op de Nederlandse markt en is aan een gestage zegetocht begonnen. Inmiddels zie je ze in de grote steden volop, vooral tijdens het spitsuur, bereden door forensen in de buurt van het station en door automobilisten die hun auto in de buitenwijk gestald hebben. De Brompton geldt als een dure fiets, maar vergeleken met de meeste andere vouwfietsmerken valt dat wel mee. Het instapmodel C3 kost 572 euro (bij Wim Kok in Utrecht; www.wimkok.nl), het topmodel T6 kost 990 euro. Het geheim van de Brompton valt niet in een paar woorden uit te leggen. Ingeklapt is het de kleinste fiets die er te koop is – wie het pakje ziet begrijpt onmiddellijk dat het niet kleiner kan. Hij past als enige vouwfiets in een kofferkluis van de NS en hij kan tussen twee rugleuningen van een intercity. Ook valt op dat de (vieze) ketting in het pakketje (57 x 59 x 27 cm) redelijk weggestopt zit, zodat je ermee kunt sjouwen zonder besmeurd te raken met kettingvet. En: ook het pakketje kan rijden, wat makkelijk is bij het kaartjesloket.

De Brompton fietst opvallend goed. Het achterwiel veert lekker, de versnellingen zijn goed gekozen – je kunt een `gewone' fiets moeiteloos bijhouden. Er zijn allerlei accessoires te koop, zoals een draagtas (zodat hij in het restaurant of in de bus niet als fiets herkend wordt) en een grote fietstas of een boodschappenmand voor boven het voorwiel.

Wie de Brompton voor het eerst in- of uitgeklapt ziet worden, denkt dat het vouwen heel ingewikkeld is, maar in werkelijkheid gaat dit juist heel eenvoudig. Rest nog te melden dat de Brompton degelijk gebouwd is. De Fietsersbond zet hem in zijn testen altijd op nummer 1.

Je zou verwachten dat andere merken ook iets dergelijks proberen te maken, maar dan kleiner, lichter, handiger, goedkoper of beter fietsend. Vrijwel niets komt in de buurt. Sommige Dahons en Birdy's fietsen goed, maar deze modellen zijn ingeklapt groter en net zo duur – of zelfs duurder. Nu zijn er ook wel goedkope Dahons – kijk daarvoor eerder bij Halfords dan bij de vakhandel – maar die zijn voor de meeste mensen te klein en fietsen niet lekker. Batavus en Gazelle hebben het ook met vouwfietsen geprobeerd. Ze fietsen wel, maar ingeklapt blijven het grote gevallen. Wat is er aan de hand in vouwfietsenland? Waarom is er eigenlijk maar één keuze?

biersma@nrc.nl