Afrekening

In een zeldzaam optreden voor de televisie ontkende de vastgoedhandelaar Willem Endstra zondag alle betrokkenheid bij criminele activiteiten. Deze roep achtervolgt hem al veertien jaar, maar juist vorige week vocht hij voor de rechter met succes een lopend justitieel onderzoek wegens witwassen van crimineel geld aan. Gisteren haalde de misdaad hem toch in voor zijn kantoor aan de Amsterdamse Apollolaan. Endstra kwam om het leven bij wat alle kenmerken heeft van een keiharde criminele liquidatie. Deze afrekening is de laatste in een hele reeks die te maken heeft met de Amsterdamse onderwereld. Sinds de voormalige drugshandelaar Steve Brown in 1999 een moordaanslag overleefde, hebben er zeker tien liquidaties plaatsgevonden, vaak op klaarlichte dag en gewoon op straat – zoals in het geval van Endstra. Opgelost is er nog niets. Dat is zorgelijk, al was het alleen maar omdat niet valt uit te sluiten dat het uitblijven van een justitiële reactie binnen criminele milieus wordt opgevat als een teken dat men zijn gang kan gaan. Het onberecht blijven van dergelijke opzichtige wandaden draagt ook bij aan cynisme in de samenleving als geheel.

De Amsterdamse politie heet bepaald wel een beeld te hebben van wat er in de onderwereld omgaat. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat de politie al verscheidene malen een mogelijk doelwit van een aanslag zegt te hebben gewaarschuwd. Waar het aan ontbreekt, is strafrechtelijk bewijs. De aanslag op Endstra vergroot de aandrang op het stafrechtelijk apparaat om nu toch eens met resultaten te komen. Waardoor het niet lukt de zaken rond te maken is uiteraard een bedrijfsgeheim. Van oudsher moet de recherche het in dit soort gevallen hebben van verklikkers uit het criminele milieu.

Het probleem is dat een interne cultuur van geweld om de leden van een criminele organisatie of netwerk in het gareel te houden, typerend is voor georganiseerde misdaad. Elke openbare liquidatie versterkt deze interne boodschap. Het is dus niet zo eenvoudig om criminelen over te halen. Daardoor groeit de aandrang om kroongetuigen te gebruiken, criminelen die in ruil voor immuniteit een getuigenverklaring afleggen. Daarover is een fikse ruzie losgebarsten tussen het Amsterdamse parket – de rekkelijken – en de voorzitter van de OM-top De Wijkerslooth gesteund door minister Donner (Justitie) – de preciezen. In de jongste aflevering van het tijdschrift voor de rechterlijke macht betoogt de Amsterdamse officier van justitie Plooy nog eens omstandig dat afspraken met criminelen in bepaalde ernstige zaken ,,absoluut noodzakelijk'' zijn.

De groeiende serie onopgeloste afrekeningen vormt een steuntje in de rug voor strafrechtelijke doeners als Plooy. De tegenstelling tussen de harde werkers aan het justitiële front en de top moet overigens niet worden overdreven. Donner wil een wetsvoorstel terughalen met allerlei beperkende voorwaarden dat bij de Eerste Kamer ligt. Daarmee is de weg open voor een royale regeling van de kroongetuige. Of anders kan men aansluiten bij de bestaande jurisprudentie. De Hoge Raad heeft al tien jaar geleden in een Antilliaanse zaak het gebruik van kroongetuigen toegelaten. De kroongetuige blijft echter een riskante bondgenoot voor justitie. Het is niet denkbeeldig dat de echte boef een stel mindere goden erbij lapt om zelf vrijuit te gaan, dat getuigenissen worden verdraaid om oude rekeningen te vereffenen zonder dat daar een vinger achter te krijgen valt. Niet het minste risico is dat justitie in de onderhandelingen met criminelen zelf haar normen en waarden compromitteert. Wat dit betreft is het niet erg geruststellend dat Plooy de principiële en praktische bezwaren wegwuift en de kroongetuige idealiseert als ,,een informant met meer lef''.

Voor het inzetten van de kroongetuige geldt: zeg nooit nooit. Maar het is wel een aanslag op de kwaliteit van de strafrechtspleging.