Voorbarig

De Tweede Kamer blijft verdeeld over verlenging van de Nederlandse militaire aanwezigheid in Irak. Een bezoek van parlementariërs aan de troepenmacht ter plekke heeft de tweespalt eerder vergroot dan bijgelegd. Kort gezegd zijn CDA en VVD van mening dat Nederland zijn werk in Zuid-Irak nog steeds kan blijven doen, ondanks de tragische dood van een onderofficier en de toegenomen onveiligheid. Nederland, vinden deze partijen, mag de Irakezen nu niet in de steek laten en moet voor nog een termijn tekenen. Uit Irak teruggekeerde leden van PvdA en SP zeiden tijdens hun bezoek geen nieuwe argumenten te hebben gehoord voor verlenging van de missie. Ze vinden dat de Nederlandse militairen na het uitdienen van de huidige termijn Irak zo snel mogelijk moeten verlaten. De politieke irritatie was eind vorige week al opgelopen. De kwestie `weggaan of blijven' zet ook de coalitie onder druk. De VVD verwacht dat de Nederlanders, als het kan, langer dan het komende halfjaar in Irak zullen blijven. Fractieleider Van Aartsen ergert zich aan de opstelling van regeringspartner D66, die twijfelt over verlenging en vrijdag liet weten dat het belang van de coalitie in dezen niet heilig is.

De komende weken moet het kabinet een besluit nemen over verlenging. Het is een van de zwaarwegendste en moeilijkste beslissingen voor een regeringsploeg: een uitspraak doen over zaken die het leven van militairen betreffen; over oorlog en vrede; die over de loyaliteit jegens de Amerikanen en de Britten gaan en die ook nog eens van invloed zijn op de orde in een land dat door zijn ligging en grondstof – olie – een strategische positie inneemt en alleen al daarom niet in chaos kan afglijden. Het is alleszins begrijpelijk dat de politiek aarzelt. De belangen zijn groot en het dilemma tekent zich steeds scherper af. Een gunstig scenario is niet langer voorhanden. Bijtekenen gebeurt onder omstandigheden die volstrekt anders zijn dan een jaar geleden. Onveiligheid is troef. En onzekerheid over de toekomst. Niemand weet hoe het nieuwe bestuur van Irak eruit zal zien en wat exact de wensen over de aanwezigheid van een internationale troepenmacht zijn. Weinig is te zeggen over wat de Verenigde Naties precies willen en kunnen na 30 juni, de dag van de soevereiniteitsoverdracht. Langzaamaan wordt wèl duidelijk dat er verdeeldheid is over een hoofdrol voor de VN, die overigens zelf niet staan te trappelen om zich met man en macht in het strijdgewoel te werpen. Vrijdag gaven de Amerikanen voor het eerst aan dat ze zich na 30 juni uit Irak zullen terugtrekken als het nieuwe interim-bestuur dat wil.

Dat laatste is wellicht retoriek, maar stel dat het gebeurt: moet Nederland zich dan nu al uitspreken over de periode nà het komende halfjaar, zoals Van Aartsen deed? Dat is overhaast. Beter is het de situatie van dag tot dag te bezien. Vandaag stierf bij een aanslag in Bagdad de leider van de Iraakse regeringsraad, de shi'itische politicus en schrijver Ezzedine Salim. In Washington moest de regering-Bush zich dit weekeinde verdedigen tegen nieuwe beschuldigingen over wandaden in de Abu Ghraib-gevangenis. Ze zouden het gevolg zijn geweest van een welbewuste beslissing van minister Rumsfeld (Defensie). Geen incidenten dus, maar uitvoering van beleid. Het Witte Huis ontkent, maar het kwaad is geschied. Hoe laat dit zich rijmen met de grote woorden van Bush' veiligheidsadviseur Rice, die vorige week zei dat de VS ,,een nobel doel'' in Irak trachten te bereiken. Heiligt dat doel de middelen?

Een besluit over verlenging van de Nederlandse militaire aanwezigheid vergt staatsmanschap. Dat betekent op dit moment: de kaarten bij de borst houden, achter de schermen invloed uitoefenen, risico's afwegen over veiligheid en politiek en vooral geen voorbarige, vèrgaande uitspraken doen.