Voetbal is geen oorlog - in Israël

Voetbal is oorlog, maar niet in het Israëlisch-Arabische Sakhnin. De spelersgroep van Bnei Sakhnin Football Club in Galilea bestaat uit veertien Arabische en zes joodse Israëliërs. De club is favoriet in de finale om de nationale beker, morgen, tegen Hapoel Haifa.

Bij de grootste moskee in de hoofdstraat van Sakhnin linksaf, rechtsaf over een industrieterreintje en dan de zandweg op langs olijfboomgaarden, een stoppelveld met langorige geiten en een kippenfokkerij. Na de laatste bocht met kniediepe kuil liggen de trainingsvelden van Bnei Sakhnin Football Club.

Niet de meest voor de hand liggende locatie van een profteam uit de hoogste regionen van de Israëlische competitie. Het is eerder de plaats voor een rustige camping in de heuvels van Galilea, waar volgens het Bijbelse verhaal Jezus zich enige tijd heeft verpoosd. In een oogopslag is duidelijk dat de overhead-kosten van de club laag zijn: een schuur met een golfplaten dak is verbouwd tot kleedkamer en doucheruimte. Coach Eyal Laman houdt kantoor in de ene helft van een container, de andere helft fungeert als materialenkamer. Een wedstrijdveld, een stadion misschien, is nergens te bekennen ,,Wij zijn de enige club in de hoofdklasse zonder eigen stadion. Wij zijn trots op ons team, ons Sakhnin, trots én verdrietig, omdat wij geen eigen stadion hebben. Maar we hebben wél een plan, een heel mooi plan'', legt loco-burgemeester en bestuurslid Khalayleh Ibrahim met een olijke grijns uit en baant zich een pad tussen de fans die de avondtraining van commentaar voorzien.

Achter die lach gaan grote spanningen, dromen en ambities schuil. Want iedere speler, supporter en inwoner van het 24.000 inwoners tellende stadje, eigenlijk een groot dorp in de vallei van Sikhnin, weet dat Sakhnin het eerste Arabische team is dat in de geschiedenis van het Israëlisch profvoetbal aanspraak maakt op de nationale beker en na winst kan deelnemen aan de strijd om de UEFA Cup.

,,Dit is niet alleen voor Sakhnin belangrijk, maar voor alle Arabieren in Israël. De hele Palestijnse, nee de hele Arabische natie kijkt mee, want Al Jazeera, LBC in Libanon en MC in Jordanië zenden de wedstrijd rechtstreeks uit'', vertelt aanvoerder Abas Suan (28) als hij zich warm loopt voor de avondtraining. Suan is de enige Israëlische-Arabier in het nationale team van Israël en verheugt zich al enorm op deelname aan de UEFA Cup.

De wedstrijd van morgen kan de bekroning zijn van een spectaculair jaar: het eerste jaar dat Sakhnin als een van de twee Arabische teams in de Israëlische hoofdklasse speelde en in de bekerrondes zelfs het onoverwinnelijk geachte Maccabi Tel Aviv versloeg. Aan de stemming onder de fans, de gebeden in de moskeeën en de gesprekken in de restaurants is te merken dat het om meer gaat dan voetbal.

Gevoel voor eigenwaarde, zelfrespect en op gelijke voet meedingen in de Israëlisch-joodse samenleving zijn voor Sakhnin en wijde, Arabische omgeving minstens zo belangrijke factoren. In alle opzichten zijn Israëlische Arabieren achtergesteld. De gewelddadige opstand van oktober 2000, waarbij tijdens zware rellen dertien mannen, onder wie twee jongens uit Sakhnin, werden doodgeschoten, heeft daar nauwelijks verandering in gebracht. Premier Sharon beloofde zich te zullen inspannen om aan de discriminatie een einde te maken, maar de werkloosheid onder de 1,3 miljoen Arabieren is nog altijd hoog (in Sakhnin 29 procent). En veilige scholen, goede gezondheidszorg en adequate nutsvoorzieningen zijn voor deze bevolkingsgroep grotendeels onbereikbaar. Meer dan eenderde van de huizen in Sakhnin is niet aangesloten op de openbare riolering, voor het ophalen van vuilnis en repareren van wegen is zichtbaar geen geld meer. Zoals in de meeste Arabische `townships' ontbreken bioscopen, jeugdhuizen, zwembaden, culturele en toeristische centra. Sakhnin heeft alleen een geheime militaire basis en FC Sakhnin, armlastig als de gemeente maar ambitieus.

Een topteam is de ploeg van de nieuwe coach, Laman, niet. Degradatie naar de tweede klasse kon zaterdag ternauwernood worden voorkomen en meer dan eens werd gebrek aan kwaliteit gecompenseerd door agressief spel. Dat is vaak afgestraft met strafschoppen, waardoor wedstrijden nodeloos verloren gingen. ,,Wij hebben geen geld voor een stadion en ook niet voor grote aankopen en dikke salarissen. Wij betalen het slechtst in de hele competitie'', vertelt manager en zakenman Mazen Ghaniam. De gemeente is eigenlijk failliet, de sponsers, onder wie een betonfirma, doen wat zij kunnen en de opbrengst van de Lotto en de kaartverkoop is net voldoende om de kosten te dekken. Fondsenwerving in de Arabische wereld heeft niets opgeleverd. Thuiswedstrijden worden in het stadion van Haifa gespeeld en dat brengt extra kosten voor verplichte beveiliging door politie en speciale bedrijven met zich mee.

Rondom een groep Arabische spelers heeft Ghaniam een allegaartje verzameld van joodse bankzitters bij topclubs, onder wie Ravi Cohen van Maccabi Haifa, aangevuld met een Pool, een Congolees, een Braziliaan en een Kameroener. De sfeer lijkt goed, er wordt in de kleedkamer, waar Arabisch, Hebreeuws, Engels en Portugees wordt gesproken, veel gelachen. ,,Wij zijn in de afgelopen twee jaar een hechte club geworden'', meent Ravi Cohen. En dat mag gezien de spanningen tussen de Arabische en joodse gemeenschappen en ,,het conflict'' gerust bijzonder genoemd worden. ,,Ik ben geboren en opgegroeid in Haifa, ik heb van huis uit veel Arabische vrienden'', zegt de tengere Cohen, die redelijk Arabisch spreekt.

Aanvoerder Abas Suan, zoals de meeste Arabieren in deze streek tweetalig: ,,Het is een familieteam geworden. We kennen elkaar goed, we eten samen, we reizen samen, we zijn bevriend.'' Als Abas merkt dat deze woorden een tikkeltje te glad klinken, lacht hij. ,,Wij zijn in de eerste plaats voetballers. Dat is ons leven, ons beroep. Wat er ook gebeurt in de wereld, wij moeten doorgaan met leven. We scheiden het gewoon, de politiek en de sport.'' De wereld van Gaza, de bezette Westelijke Jordaanoever, de joodse en Palestijnse extremisten worden zoveel mogelijk genegeerd. Politiek is aan de eettafel en in de kleedkamer nauwelijks een onderwerp, daar zien de manager, de coach en de populairste man van Sakhnin, de Congolees Komoku Kamara, op toe. De grote Afrikaan is de sociale spil. ,,We houden het gezellig. Voetbal is volgens mij de enige sector in het land waar de dingen niet ontaarden in moord en doodslag'', zegt Komoku.

Zeker is dat de rol van underdog en mikpunt van scheldkannondes bindende factoren zijn, om van de vernederende fouilleringen voor uitwedstrijden in dominant joodse steden maar niet te spreken. Vooral en niet zo verwonderlijk wordt in het sectarische Jeruzalem het Arabische team door de aanhang van Beitar Jeruzalem steevast op een stevige dosis racisme getracteerd. Mildere verwensingen zijn ,,Dood aan alle Arabieren, brand hun dorpen plat'' en ,,Fuck de Arabische hoerenzonen''. Beitar Jeruzalem is de enige club in Israël die een raciale ballotage toepast, geen Israëlische Arabieren in de teams opneemt en regelmatig beboet wordt wegens wangedrag van fans.

Komoku: ,,Laat ze maar schelden, het maakt ons alleen maar sterker. Hoe harder ze tegen ons schreeuwen, hoe feller het team speelt.'' Ook de fans van Bnei Yehuda uit zuid-Tel Aviv zijn beruchte hooligans met losse handjes, die graag een Arabier neermeppen. De enige die er ronduit voor uitkomt dat hij soms met samengeknepen billen het stadion van deze tegenstanders verlaat, is manager Ghaniam. ,,Ik ga gespannen zo'n stadion in en ben pas gerust als alle spelers en onze meereizende fans er ook weer heelhuids uit zijn gekomen. Want soms worden we behandeld alsof we terroristen zijn.'' Om confrontaties te voorkomen heeft hij het afgelopen jaar tweemaal na terreuraanslagen wedstrijden afgelast.

Vreedzame coëxistentie vergt de nodige souplesse. Als het Arabisch team morgen aantreedt tegen Hapoel Haifa, met president Katsav op de tribune, dan wordt voor de wedtrijd de `Hatikva' gezongen, het lied van de joodse staat Israël, een lofzang op de `joodse ziel' en het `land van Zion en Jeruzalem'. Manager Ghaniam, pragmaticus, zegt: ,,Wij zijn allemaal Israëliërs dus daar gaan we niet moeilijk over doen.'' En de Arabische aanvoerder Abas Suan, die hier in het nationale team al vaker mee is geconfronteerd, zegt: ,,Ik hou niet van zingen.''

Zelfs loco-burgemeester Ibrahim, een communist en anti-zionist, is pragmatisch. Hoe hij denkt over de staat Israël en het lot van de Palestijnse natie heeft hij dan al glashelder uiteen gezet: ,,Als het lied klinkt, kan niemand mij dwingen mee te zingen en mij te verhinderen het mijne ervan te denken.'' Het gaat hem er nu om dat voor Sakhnin en niet alleen de voetbalclub de ,,de deuren naar de geldschieters wijdopen gaan''. Hoe mooi zou een stadion met 6.000 staan- en zitplaatsen niet zijn, hoe goed zou dat niet zijn voor het dorp, de middenstand, de jongeren. De nationale beker zal de redding van Sakhnin, nee van alle Arabieren in de regio, zijn. Bidt hij.