Peking laat ster schitteren in Cheju

De vandaag beëindigde jaarvergadering van de ADB in Korea stond vooral in het teken van de Chinese economie. Ook een gezamenlijke Aziatische munt werd besproken.

Als volleerde kapitalisten bespelen Chinezen de internationale economische gemeenschap. Het jargon van elitaire business schools in de VS lijkt de voormalige communisten met de paplepel ingegoten.

Zo deelde de Chinese vice-minister van Financiën Li Yong vandaag een aandachtig luisterend publiek van economisch specialisten in vloeiend Engels mee ,,vol vertrouwen'' te zijn dat de Chinese economie – die afgelopen jaar 9,1 procent groeide – een zachte landing zal bereiken. ,,Zoals ook is gezegd door Standard & Poor's'', voegde Li er tevreden aan toe. Opvallend aan de analyse van Li was namelijk de grote overeenkomst met de analyse die de kredietbeoordelaar enkele dagen eerder had gegeven.

Li sprak op een seminar tijdens de jaarvergadering van de Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB) op het Zuid-Koreaanse eiland Cheju. De toekomst van China domineerde er de discussie. De inhoud van de analyse van Li en Standard & Poor's is: slechts enkele sectoren van de Chinese economie zijn oververhit – te hoge investeringen resulterend in overcapaciteit – en de overheid neemt gepaste maatregelen om dit af te remmen. ,,We hebben commerciële banken – waarvan wij nog altijd de eigenaar zijn – verteld om welke sectoren het gaat en voorzichtig te zijn met leningen'', stelt Li. Staatsdirigisme heeft vooralsnog de bovenhand in de lieveling van kapitalisten.

Dit dirigisme riep geen vragen op van de verzamelde gelovigen in een vrije markt. Een dag eerder had immers Liu Mingkang, voorzitter van de China Banking Regulatory Commission, in dezelfde zaal uitgelegd hoe China zijn banksector zal hervormen. Om te beginnen door privatisering van twee van de vier grote banken, die gezamenlijk de helft van de Chinese markt in handen hebben. Men is specifiek op zoek naar buitenlandse strategische investeerders om geld in deze sector te pompen.

Terwijl de ADB zelf besloot zich meer op armoedebestrijding te richten, bogen bankiers en analisten uit de privé-sector, overheidsfunctionarissen en andere betrokkenen zich in seminars rondom de eigenlijke vergadering vooral over China en, in tweede instantie, de monetaire samenwerking in Oost-Azië. Een vurig pleidooi voor één munt in Azië werd gehouden door de adviseur van de Japanse premier en gedoodverfde nieuwe president van de Aziatische Ontwikkelingsbank, Haruhiko Kuroda. Er is veel scepsis over dit idee. ,,Het zal zeer moeilijk zijn'', zei bijvoorbeeld de Australiër Peter McCawley, hoofd van ADB Instituut in Tokyo. Niet alleen zijn de landen in Oost-Azië in zeer verschillende stadia van ontwikkeling, ook vergt het samenvoegen van valuta het opgeven van autonomie. ,,Probeer je eens twee landen in Azië voor te stellen die dat bereid zijn te doen'', vroeg McCawley retorisch.

Of het tot één munt komt of niet, groeiende monetaire samenwerking is een logische ontwikkeling nu handel tussen Aziatische landen onderling de laatste jaren enorm is gegroeid. Voor Zuidoost-Azië en Japan – meer dan 12 procent van de Japanse export inmiddels naar China – is China enorm belangrijk. China verwacht dit jaar Japan voorbij te streven als grootste handelsnatie in Azië met een totale im- en export van meer dan 1.000 miljard dollar (ruim 831 milard euro). ,,Met deze groei zijn stabiele wisselkoersen natuurlijk een voordeel'', zei Geert van der Linden, de Nederlandse vice-president van de ADB. ,,Kuroda's verhaal over één Aziatische munt is als een `euro-verhaal' in de jaren vijftig in Europa zou zijn geweest. Dat zou ook niemand hebben geloofd.''

Een tweede motor van de discussie is de crisis van 1997, toen een aantal Aziatische landen hun munt ineen zagen storten. Sindsdien zijn er zogeheten `swap-overeenkomsten' gesloten: bilaterale afspraken om lokale valuta in harde valuta te wisselen als een land plots een tekort heeft, zoals in 1997 gebeurde – het zogeheten Chang Mai Initiatief. De eerste vraag is nu of men deze bilaterale overeenkomsten omzet in een multilateraal kader, ofwel een variant uitvoert van het idee voor een Aziatisch Monetair Fonds, dat Japan tijdens de crisis van 1997 lanceerde.

De ministers van Financiën van de Zuidoost-Aziatische landen plus China, Zuid-Korea en Japan, de zogeheten ASEAN+3, kwamen tijdens de ADB-vergadering apart bijeen voor overleg hierover. Men besloot tot voortzetting van de ,,levendige discussie'' over financiële samenwerking en verder onderzoek naar versterking van Chiang Mai. ,,Men erkent nu de noodzaak om samen te werken en voert overleg'', zei Van der Linden van de ADB. ,,Voor de crisis gebeurde dat niet.''

De Amerikaanse onderminister voor Financiën, John Taylor, kreeg natuurlijk de vraag voorgelegd wat de Verenigde Staten vinden van dergelijke samenwerking. In 1997 verzette Amerika zich immers sterk tegen de oprichting van een Aziatisch Monetair Fonds. Taylor hield zich nu op de vlakte en zei slechts dat regionale organisaties ,,in overeenstemming moeten zijn'' met mondiale organisaties. Gevraagd of het niet ook hoog tijd wordt dat China tot de G7 toetreedt, constateerde Taylor dat het ,,moeilijk is om nog een discussie over de wereldeconomie te hebben zonder China''.