Nachtmerrie

Of ik een mooie tekst bij een foto van een slapende Kluivert wilde maken. Dat was een maand geleden de vraag van de fotograaf van het boek Jongensdromen. Hij had Kluivert – na twee jaar stalken – nog steeds niet voor de lens gehad. Hij zou 'm nog proberen zo gek te krijgen, anders maar een verhaal bij een leeg bed.

Ik twijfelde. Een droomverhaal bij Kluivert. Had ik dat?

Ik belde af. Ik had alleen een zwaarmoedig verhaal, meer een nachtmerrie. Misschien niet helemaal de juiste toon voor deze zachte uitgave voor het goede doel. Vond de fotograaf ook. Wat ik wilde schrijven in het boek?

Dit.

Ik vind Kluivert een spannende voetballer, hij heeft veel van boven meegekregen. Nog een paar weken en ik spring tijdens het EK van mijn stoel bij een doelpunt. Hij kan scoren. Maar gun mij, een moment later, even een luchtbrug met Vlaardingen.

In de tijd dat ik in het theater speelde, bezocht ik elk jaar de Stadsgehoorzaal waar directeur Marten Putman de scepter zwaaide. Hij was een flamboyante figuur, stond graag aan de bar en genoot van stevige humor. Hij was met hart en ziel een theaterdier. Tot Patrick Kluivert hem aanreed.

Een half jaar na het dodelijk ongeluk speelde ik weer in Vlaardingen. Na de voorstelling trof ik mevrouw Putman in de bijzaal. Ze liep te wankelen met een kruk; ze zat tijdens het auto-ongeluk naast haar man en overleefde de klap. Er speelde een popbandje op het podium. We zaten aan de kant en haalden herinneringen op aan haar man. De pijn stond op haar gezicht maar ook de kracht om er die avond, met alle lichamelijke malheur, toch iets van te maken. Wie het beslissende duwtje gaf weet ik niet meer – misschien had ik wel te veel op – maar aan het einde van de avond waagden we samen een dansje. Ik geloof zelfs dat ik demonstratief de kruk onder tafel gooide. Weg dat ding. In een combinatie van ondersteuning en omhelzing schuifelden we over de dansvloer.

Mevrouw Putman en haar dochter vroegen of mijn theatercompaan Martin en ik nog even meewilden naar hun huis. En daar zaten we, midden in de nacht, in het huis waar de geest van de theaterdirecteur nog rondwaarde. Diezelfde avond had Oranje een wedstrijd gespeeld. Mevrouw Putman wist het. Kluivert zou meespelen. Dat wist ze ook, al wilde ze het eigenlijk niet weten.

Ze zag op tegen het geluid van de klep van de brievenbus. In alle vroegte zou de ochtendkrant in de bus vallen. Ze huiverde bij de gedachte dat `hij' gescoord had, en dat hij juichte op de foto. Het zien van zijn naam, het zien van zijn foto, deed bij de familie altijd weer de wond openrijten die toch al nooit zou dichten.

We namen afscheid die nacht en lieten moeder en dochter alleen. De volgende dag sloeg ik de ochtendkrant open. Ja hoor, hij had gescoord. Ik zag die krant daar in Vlaardingen op de mat vallen.

Zoiets.

Zoiets had ik willen schrijven.

Vorige week heeft de rechter het boek met dromende internationals verboden. Spelers en KNVB wilden het niet in de winkel. Gedoe met afspraken en portretrecht – je wilt het niet horen. Kluivert zou niet in Jongensdromen gestaan hebben. Hij kwam zijn afspraken met de fotograaf niet na, hij ging niet slapend op de foto. Kluivert droomt niet, Kluivert is een jongen van de harde werkelijkheid. Onlangs kreeg hij weer een boete van 27.000 euro voor wangedrag in een disco. Hij hoort niet in een liefdevol prachtboek in een smetteloos wit bed. En zeker niet met zo'n tekst over vroeger van mij ernaast.

Allemaal zeer ongepast, voor het goede doel.

    • Wilfried de Jong