Martelen op bevel is wereldwijd verboden

Het martelen van Iraakse gevangenen, voor welk doel dan ook, is in strijd met het internationale recht. En ook met de Amerikaanse grondwet.

Amerikaanse senatoren die het complete fotomateriaal hebben gezien zeggen dat de mishandeling van gevangenen in Irak erger was dan gedacht. Daarmee groeit wat begon als een aantal incidentele vernederingen uit tot systematische martelpraktijken. Het hele scala valt in het internationale recht onder het verbod van ,,onmenselijke of vernederende behandeling''. De Amerikaanse grondwet gebruikt in dit verband de verwante kwalificatie ,,wreed of onmenselijk'' maar het verbod is er niet minder om.

In het kielzog van de aanslagen van 11 september 2001 is openlijk geopperd dat geweld tegen gevangenen kan worden toegepast in de strijd tegen het moderne terrorisme, de zogeheten ,,stress and duress techniques''. ,,De handschoenen zijn uitgegaan'', aldus een zegsman in The Washington Post. Een ander zei: ,,Als je niet iemands mensenrechten schendt doe je je werk niet''. Een bekend voorbeeld in dit verband is dat van de ,,tikkende tijdbom''. Mag de politie niet een verdachte martelen, van wie aannemelijk is dat hij wetenschap heeft van een bom die op het punt staat af te gaan?

De Amerikaanse hoogleraar Alan Dershowitz heeft dit scenario gebruikt in menig publiek debat, en ,,vrijwel alle handen gingen omhoog''. Dershowitz concludeerde dat de vraag niet is òf marteling in dit soort gevallen wordt toegepast, maar veeleer of het openlijk gebeurt en wordt onderworpen aan een juridische procedure. In dit voetspoor brak Michael Ignatieff, een bekend schrijver over mensenrechten, onlangs in The New York Times Magazine een lans voor wat hij betitelde als ,,het kleinere kwaad'' in de strijd tegen het grote kwaad van het terrorisme.

Martelen is geen klein kwaad. Het verbod van een inhumane behandeling is vastgelegd in een reeks van internationale verdragen of conventies. Ze variëren van de Universele verklaring van de rechten van de mens (1948) tot de Rode Kruisverdragen, de zogeheten Geneefse conventies, over het oorlogsrecht uit 1949. In 1984 kwam een speciale ,,Conventie tegen marteling en andere vormen van wrede, onmenselijke of vernederende behandeling'' tot stand, die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aanvaard. Een kernbepaling hiervan zegt dat marteling nooit kan worden gerechtvaardigd met een beroep op een staat van oorlog of een binnenlandse noodtoestand.

Het martelverbod is absoluut, zo benadrukt ook het Europees verdrag voor de mensenrechten; zelfs in de strijd tegen terrorisme. Deze omstandigheid heeft een rol gespeeld in de behandeling van klachten door het Europees Hof voor de mensenrechten in Straatsburg over Britse verhoormethoden in Noord-Ierland (1957). Het argument van de ,,tikkende tijdbom'' mocht niet baten.

Binnen de algemene noemer van onmenselijke behandeling zijn er gradaties. De term marteling is volgens het Europese hof gereserveerd voor ernstige vormen van inhumane behandeling. Kenmerkend daarvoor is in het bijzonder dat de mishandeling een doel heeft, zoals het loskrijgen van informatie of het toedienen van straf. Het grote verdrag van 1984 voegt daar aan toe dat om van marteling te spreken bemoeienis van publieke functionarissen vereist is.

De Geneefse conventies bevatten een eigen verbod van onmenselijke behandeling, met name als het gaat om krijgsgevangenen maar ook in het geval van de burgerbevolking. Het doet er niet toe of deze behandeling afkomstig is van militairen of burgeragenten. Net zo min als noodtoestand is militaire noodzaak een geldig excuus. Martelen of onmenselijke behandeling van zogeheten beschermde personen (burgers in handen van de bezettende macht) behoort tot de ,,ernstige inbreuken'' op het humanitaire oorlogsrecht. De Geneefse verdragen vermeden met opzet de term oorlogsmisdaad, maar in een aanvulling uit 1977 wordt dit verband wel gelegd.

Dat ondergeschikten het verbod op onmenselijke behandeling overtreden pleit volgens het Geneefse oorlogsrecht de hogergeplaatsten niet vrij. Commandanten hebben juist de plicht maatregelen te nemen om excessen te voorkomen. De Rode Kruisverdragen laten de omgekeerde situatie, waarbij ondergeschikten zich beroepen op een bevel van hogerhand zoals in de Abu Ghraib-gevangenis, echter open. Daar was destijds geen overeenstemming over te bereiken, zodat het werd overgelaten aan nationale regels.

Ongehoorzaamheid in de krijgsmacht is een hachelijke zaak. Toch legt het Operational Law Handbook van de VS uit 1996 een ,,positieve plicht'' op militairen om een illegaal bevel te weigeren en dit incident direct te melden. Het Londense Handvest van de tribunalen na de Tweede Wereldoorlog zei reeds ,,dat een soldaat het bevel kreeg om te doden of te martelen in strijd met het internationale recht is nooit erkend als een rechtvaardiging van beestachtigheid''.