Laat andere landen Nederland opvolgen

Nederland heeft op legitieme gronden besloten deel te nemen aan de militaire stabilisatiemacht in Irak. Nu is het tijd het stokje door te geven, vindt Nico Schrijver.

Nederland kan dan troepen vrijmaken voor andere vredesoperaties.

Ruim een jaar na de val van Saddam Hussein is er nog bitter weinig uitzicht op stabiliteit en vrede in Irak, laat staan op een (democratische) rechtsorde. Van het begin af aan heeft de eigenmachtige Amerikaans-Britse actie in Irak gekampt met problemen van legitimiteit en geloofwaardigheid als gevolg van het nogal bruut terzijde schuiven van de VN-Veiligheidsraad en het kleineren van het werk van de VN-wapeninspecteurs.

Deze problemen zijn alleen maar erger geworden nu (gelukkig maar) de beweringen over de aanwezigheid en het op handen zijnde gebruik van massavernietigingswapens onjuist zijn gebleken, terwijl helaas de bezettende mogendheden en de voorlopige Bestuursraad van Irak er niet in slagen een effectief gezag te vestigen dat de al zo lang geteisterde Irakezen veiligheid, respect voor hun mensenrechten en hervatting van publieke voorzieningen verleent. De berichten over de meer dan sporadische schendingen van internationaal humanitair recht zijn de druppel die de emmer doen overlopen. Veel Irakezen en ook anderen in de Arabische wereld hebben het vertrouwen in de Coalitie verloren.

Nederland heeft vorig jaar op legitieme gronden besloten om met een aanzienlijke troepenmacht deel te nemen aan de militaire stabilisatiemacht in Irak. In Resolutie 1483 van 22 mei 2003, aangenomen na beëindiging van de vijandelijkheden, verwelkomde de Veiligheidsraad de bijdrage van VN-lidstaten aan de opbouw van de Stabilisatiemacht onder leiding van de VS en Groot-Brittannië, terwijl deze zich niet uitliet over de

(on-)rechtmatigheid van de oorlog.

In Resolutie 1511 van 16 oktober 2003 is de Veiligheidsraad nog een flinke stap verder gegaan door een dringend beroep op lidstaten te doen om bij te dragen aan een multinationale legermacht onder leiding van de Amerikanen en de Britten.

Tevens verleende de Raad toestemming om ,,met alle mogelijke middelen'' bij te dragen aan de veiligheid en stabiliteit in Irak, mede met het doel om het programma en tijdsschema voor de overdracht van de bestuursmacht te halen en de economische infrastructuur en de humanitaire voorzieningen te herstellen.

Na een aanvankelijke periode van verbeterde veiligheid en geleidelijke wederopbouw in het najaar van 2003, is het dit jaar voornamelijk bergafwaarts gegaan. Meer en meer lijkt de bevrijdingsmacht van Irak een ordinaire bezettingsmacht te worden en dreigt de hele Operation Iraqi Freedom in een fiasco te ontaarden. Zelf lijden de bezettende mogendheden en troepenleverende landen helaas steeds meer verliezen, terwijl in veel delen van Irak het Voorlopige Bestuur geen wortel schiet. Intussen laait de haat tegen de Amerikanen in Irak en ook in andere delen van de Arabische wereld tot ongekende hoogte op.

Het is nu van belang de Amerikanen en de Britten te helpen een uitweg uit deze netelige situatie te vinden. De hulp van Nederland moet niet bestaan uit een rituele loyaliteit aan wat Bush and Blair doen. Nederland behoort een eigenstandige afweging te maken en in overleg te treden met EU- en VN-partners. Dat wil niet zeggen dat Nederland zich à la Spanje op stel en sprong uit Irak moet terugtrekken. Er zou zelfs een beperkte verlenging na 15 juli kunnen worden overwogen, indien er een duidelijke uitnodiging van Irak zelf komt en er snel meer zicht komt op een effectieve aanpak van de problemen in het land.

Zo niet, dan kan Nederland zich maar beter op 15 juli terugtrekken. Want het verder ruimhartig militaire steun geven aan een geldverslindende operatie die politiek op de klippen dreigt te lopen, is nog merkwaardiger dan het eerdere standpunt van ,,Nederland steunt de oorlog politiek wel, maar militair niet''.

Het is nu zaak dat het roer drastisch om gaat en dat internationaal vele zeilen worden bijgezet om te komen tot een internationalisering van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid in en de wederopbouw van Irak. Het is daarbij al te gemakkelijk om te denken dat de Verenigde Naties het roer maar moeten overnemen en met stoffer en blik in de hand als puinruimer moeten fungeren. De dramatische aanslag op het VN-hoofdkwartier op 19 augustus 2003, waarbij Sergio de Mello en 17 andere VN-medewerkers omkwamen, heeft duidelijk gemaakt hoe gevaarlijk de situatie ook voor de VN is. Wel hebben de VN relatief meer ervaring (Namibië, Cambodja, Oost-Timor, Kosovo, Afghanistan) dan de VS en Groot-Brittannië hoe in een diep verdeelde samenleving op kousenvoeten een nieuw bestuursapparaat en rechtssysteem op te bouwen en ontwikkeling op gang te brengen.

De lessen uit het verleden zijn dat het scheppen van stabiliteit en veiligheid maar beter niet onder VN-vlag kan gebeuren, maar overgelaten dient te worden aan een ad-hoc-coalitie van landen die een bijdrage willen en kunnen leveren. Dat kan op basis van de thans nog geldige machtiging in Resolutie 1511 van de Veiligheidsraad. Daar zouden nadrukkelijk ook islamitische landen bij betrokken moeten worden, waarvan soldaten al eerder voor hete vuren hebben gestaan, zoals in Pakistan, Maleisië en Bangladesh. Ook andere ontwikkelingslanden met veel ervaring in vredesbewarende operaties zoals India zouden ingezet kunnen worden, naast westerse landen. Daarnaast zouden de VN een centrale rol moeten hebben bij het ontwerpen van een veelomvattend en geïntegreerd vredespakket en bij het coördineren van humanitaire en wederopbouwactiviteiten, de terugkeer van vluchtelingen, het vestigen van een representatief burgerbestuur in Irak en het op gang brengen van een nationaal proces van heling en verzoening.

Overeenstemming over de hoofdlijnen van het vredespakket zou moeten worden neergelegd in een nieuwe bindende resolutie van de Veiligheidsraad. Bij de uitvoering zullen vele landen en actoren een rol moeten spelen. Het is alleen maar gezond dat andere landen dan Nederland bij een multinationale legermacht in Irak ingeschakeld worden en dat Nederland troepen vrijmaakt voor deelname aan andere vredesoperaties in de wereld.

Prof.mr. N.J. Schrijver is hoogleraar Volkenrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.