De natuur is niet aardig

Wat is het toch, dat al dat praten over ,,versterking ecologische hoofdas'' of ,,landschap ontwikkelen met kwaliteit'' mismoedig stemt in plaats van opgeruimd? Wil ik dan soms geen landschap met kwaliteit? Vind ik het soms niet fijn als allerlei dieren zich over de ecologische hoofdassen verplaatsen? Of als de regering in de onlangs verschenen Nota Ruimte schrijft dat in de `nationale landschappen' landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten ,,behouden [moeten] blijven, duurzaam beheerd en waar mogelijk worden versterkt''?

Het is precies wat men graag hoort tenslotte, al is de zin die op deze mededeling volgt weer redelijk ijzingwekkend: ,,In samenhang hiermee zal de toeristischrecreatieve betekenis moeten toenemen.'' Er mag nooit maar eens zomaar een landschap zijn of een hoekje natuur zonder dat erin gerecreëerd wordt of de VVV er routes in uitzet en zonder dat mensen op fietsen er aldoor naar kijken en zeggen:

allemachtig, wat prachtig. Alsof het ondenkbaar is dat iets er zómaar is, nergens om, omdat het bestaat.

Maar het mismoedig makende komt misschien vooral doordat alles aan dit soort schrijven en denken een vanzelfsprekende superioriteit van de beheerders en bestuurders over het landschap ademt. Wij zijn de baas. Wij bepalen wel of er landschap is of niet, hoe de dieren lopen, hoe de rivieren stromen, op welke plaats een koe mag grazen, waar grutto's kunnen nestelen, hoe waardevol het bestaan van een das, een ree, een es, een gekraagde roodstaart is.

Toen J.C. Bloem in de jaren '40 in zijn bekende Dapperstraat-gedicht verzuchtte dat natuur hier niet veel meer voorstelde dan ,,een stukje bos ter grootte van een krant/ een heuvel met wat villaatjes ertegen'', moet het in Nederland vergeleken met nu nog een wild paradijs geweest zijn. Daarna werd het snel erger, met de grootscheepse ruilverkavelingen, het rechttrekken van alles wat kronkelde en het asfalteren van ieder plekje mos.

Nu is het weer beter dan het in de jaren '70 en '80 was, in ieder geval op het punt van aandacht voor de waarde en het belang van landschap, maar tegelijkertijd is het land nog aanzienlijk voller geplempt en bloeien de bedrijvenparken, snelwegen, industrieterreinen en `main ports' weelderig. En dit kabinet wil die bloei bepaald niet besnoeien, integendeel. Schiphol moet groeien, de Hoeksche Waard moet in een bedrijventerrein veranderen, het Groene Hart moet krimpen – vanwege de groei. Een misverstand waarmee Willem van Toorn afgelopen zaterdag in deze krant afdoende de vloer aanveegde.

Als tegenprestatie zijn een aantal `nationale landschappen' aangewezen, en daar moeten we het dan maar mee doen. Voor de rest moeten gemeenten en provincies zelf maar zien hoe vol ze de boel bouwen.

Daar kunnen geen praatjes over `kwaliteit' en `duurzaam beheer' tegenop.

En dan praten we nog niet eens van echte natuur, een autonoom gebied zonder beheer of recreatie. Dat hebben we allang niet meer. Wij zijn gaan denken dat natuur iets aardigs is met blauwe paaltjes waar je wat in rondwandelt. Zelfs een `ervaren gids', zoals de vrouw steeds wordt genoemd die de ongelukkige groep Nederlanders in de Spaanse bergen begeleidde, lijkt zich vergist te hebben in wat de natuur kan betekenen.

Natuur is niet leuk en gezellig. Natuur is gewoon natuur, met echte weersomstandigheden die zich geen klap aantrekken van een groepje ijverige wandelaars, met donkerte en kou en ontzagwekkendheid. Het begrip `het sublieme' hoor je de laatste tijd wel weer eens, juist nu we zo ongeveer niets meer over hebben wat ons de ervaring van het sublieme zou kunnen bezorgen. Met het sublieme wordt dat aangeduid wat groter is dan wij en wat ontzag wekt, de adem beneemt. Bergen bijvoorbeeld.

Het is met natuur net als met goden: niets aardigs aan. Het heeft me vaak verbaasd hoe in alle mythen en heilige geschriften de goden altijd ook als verschrikkelijk worden afgeschilderd, ze zaaien dood en verderf, hun aanblik is niet te verdragen, ze straffen meedogenloos. Ze kunnen daarbij ook wonderbaarlijke reddingen, inzichten, dromen, perspectieven bieden. De goden lijken eigenlijk altijd nogal op de natuur. Onmenselijk. Onverschillig. Subliem.

Maar iets in de natuur, en in de goden, is nu juist precies dat wat de mensen onweerstaanbaar aantrekt, waardoor ze denken dat er `liefde' is, goedheid, evenwicht. Het woord `natuurlijk' betekent zelfs zoiets als `goed', `zoals het zou moeten zijn'. Wat onzin is, moraal komt in de natuur niet voor. Onder goden ook niet vaak trouwens. Althans niet een moraal die erg lijkt op die van ons, en waarvoor we bereid zijn hele oorlogen te voeren.

Maar ook zonder die echte natuur zou je toch wel graag zien dat we ruimte hielden, luchten, een illusie van vrijheid. Landschappen waarin dat gevoel dat het in de natuur tóch goed is, dat er toch zoiets als orde bestaat, onweerstaanbaar naar boven komt.

Toen ik een poosje geleden weer eens in de dagboeken van Anne Frank las, viel me op hoeveel belang zij hechtte aan de ruimte, de lucht en aan het gevoel dat haar dat bezorgde. ,,Voor ieder die bang, eenzaam of ongelukkig is, is stellig het beste middel naar buiten te gaan, ergens waar hij helemaal alleen is, alleen met de hemel, de natuur en God. Want dan pas, dan alleen voelt men, dat alles is, zoals het zijn moet.'' En ook al is alles helemaal niet zoals het zijn moet, buiten voel je dat vaak tóch, omdat de stilte en de ruimte om je heen ook iets in jezelf opklaren. Zo gaat het nu eenmaal. Dat kan de Dapperstraat niet. Hoe domweg gelukkig men er soms ook zijn kan.

Of de `nationale landschappen' met hun `kernkwaliteiten', met hun toegestane bebouwing (mits met de juiste `schaal en maatvoering'), met hun nú al eeuwige ruis van snelwegen, vliegtuigen en landbouwmachines ons nog erg tot het gevoel dat alles is zoals het zijn moet zullen kunnen inspireren, is maar de vraag.

Misschien gaan we er wel vooral in denken dat alles helemaal niet goed is. Maar dat is chagrijnig.