Wereldeconomie betaalt mee aan oorlog Irak

Met het financieren van de tekorten van de VS heeft de rest van de wereld nu al een paar jaar ervaring. Maar gaan we ook betalen voor een Amerikaans militair avontuur?

Hoeveel zou de oorlog in Irak ook alweer gaan kosten? In 1966 schatte de Amerikaanse regering-Johnson de totale kosten van de Vietnam-oorlog in op 10 miljard toenmalige dollars. Toen de laatste Amerikaanse helikopter in 1975 opsteeg uit Saigon bleek de rekening tien maal zo hoog te zijn geweest.

Ook in het geval van Irak waren de eerste prognoses geruststellend. In december 2002, voordat de Amerikaans-Britse inval begon, becijferde de Yale-hoogleraar William Nordhaus twee scenario's met bijbehorende bedragen. In zijn mooi-weerscenario zou de oorlog kort zijn en 50 miljard dollar kosten, de bezetting beperkt met een prijskaartje van 75 miljard, en de wederopbouw voorspoedig met kosten van 25 miljard dollar. Irak zou snel stabiliseren en het Midden-Oosten rustig worden: dat leverde een snel dalende olieprijs op met een bijbehorende economische `winst' van 30 miljard dollar die van de oorlogskosten mochten worden afgetrokken. Per saldo resteerde een bedrag van 120 miljard, uitgesmeerd over tien jaar.

Nordhaus kwam ook met een slecht-weerscenario: een langdurige en ongunstige oorlog van 140 miljard dollar, een langdurige en moeizame bezetting van 500 miljard, een dure wederopbouw van 100 miljard en 10 miljard humanitaire hulp. Daar kwam dan nog 500 miljard aan direct economisch verlies bij door een olieprijs die kon oplopen naar 75 dollar per vat, en 345 miljard aan schade door de economische recessie die op de hoge olieprijs zou volgen. Alles bij elkaar: een verbijsterende 1.600 miljard dollar over tien jaar.

Nu met name de bezetting van Irak steeds moeizamer verloopt en de olieprijs is gestegen naar 40 dollar per vat in de VS, verschuift het totale bedrag dat de operatie-Irak gaat kosten langzaam maar zeker van scenario één naar scenario twee. En begint de operatie in de bedragen te lopen die hun invloed op de wereldeconomie niet missen. Of zij wil of niet, de rest van de wereld begint al mee te betalen aan het Amerikaanse avontuur.

De vergelijking tussen Irak en Vietnam beperkt zich doorgaans tot militaire, politieke en humanitaire kwesties. Maar ook op economisch gebied dringt zij zich nu op. Destijds liepen de Amerikaanse overheidsuitgaven ook uit de hand. Dat kwam niet alleen door de steil oplopende kosten van de oorlog in Vietnam, maar ook door Johnsons ambitieuze plan voor maatschappelijke hervorming, de Great Society. Sociale uitgaven stegen, en de belastingen werden verlaagd. De tekorten die de VS opliepen konden voor een deel gefinancierd worden door het straffeloos bijdrukken van extra dollars.

De dollar was in het naoorlogse systeem van Bretton Woods destijds de ankermunt van de wereld. Andere munten, ook de gulden, waren er in een vaste verhouding aan gekoppeld, en de dollar was op zijn beurt gegarandeerd inwisselbaar voor goud. Dat betekende dat de VS ongestraft geld konden `drukken', tenzij andere landen grootschalig goud zouden opeisen voor de dollarreserves die zij aanhielden. En dat is precies wat een steeds wantrouwender Europa deed. In 1971 werd de goudgarantie door de Amerikaanse president Nixon opgeschort, en in 1973 werd overgegaan op een systeem van vrije wisselkoersen. Via een dollarval, en de wereldwijde inflatie die het gevolg was van de opgebouwde dollarvloed – en werd versterkt door de oliecrisis – betaalde de wereld indirect mee aan Vietnam.

Onder de huidige president Bush is het eveneens de combinatie van belastingverlagingen en oplopende militaire kosten die de begroting uit de hand doen lopen. Het verwachte tekort voor dit jaar is 4,7 procent van het bruto binnenlands product. Het Witte Huis raamt dat het gat volgend jaar kleiner uitvalt, maar bijna niemand gelooft dat – al was het maar omdat pas 25 miljard van de 65 miljard aan militaire kosten voor Afghanistan en Irak voor 2005 is ingeboekt.

Aanvankelijk leek de stimulerende begrotingspolitiek een zegen voor de rest van de wereld, omdat die kon aanhaken bij de economische stimulans die er van de Verenigde Staten uitging. Maar, zo stelde het Internationaal Monetair Fonds vorige maand, per saldo is `non-Amerika' toch slechter af. Het Bretton Woods-systeem mag dan al drie decennia geleden zijn gesneuveld, op de wereldwijde financiële markten geven de Verenigde Staten nog steeds de toon aan. De rentevoeten op de obligatiemarkten van Europa en de VS vertonen een zeer sterke correlatie. Nu de rente op staatsobligaties in de VS stijgt als gevolg van de uit de hand lopende begroting, gaat die in Europa mee. Hogere rentekosten, onder meer op de staatsschuld, treffen dan ook de Europese landen. Dit negatieve effect is volgens het IMF veel groter dan het aanvankelijke positieve effect van de Amerikaanse stimuleringspolitiek. Eergisteren waarschuwde de OESO, de club van rijke industrielanden, daar ook al voor: een voortzetting van de losse begrotingsdiscipline in de VS kan wereldwijd de rentevoeten omhoog jagen.

Nu schoot de rest van de wereld de Amerikaanse begroting al grotendeels voor. Het tekort op de betalingsbalans van de VS is al een tijdje vergelijkbaar met het begrotingstekort. Dat komt erop neer dat het buitenland indirect de Amerikaanse regering leent wat zij elk maand tekortkomt. De aankopen van Amerikaanse staatsobligaties door onder meer Japan, China en Europa hielden tijdenlang de koersen van die obligaties op peil, en dus de effectieve rente relatief laag. De vraag is nu hoe lang het duurt voor, net als in jaren zestig, het geduld opraakt.

De kosten van Vietnam bedroegen uiteindelijk meer dan 100 miljard dollar, een bedrag dat met zeker een factor vijf moet worden vermenigvuldigd om op hedendaagse dollars uit te komen. `Irak' is daar nog lang niet. Maar de bedragen kunnen wel zo hoog oplopen dat ze de wereldeconomie op termijn schade toebrengen.

    • Maarten Schinkel