Waterspoeling

MEVROUW C.B. te A. heeft weer een waarneming. Ze was op vakantie geweest in een uithoek van het land om even helemaal uit te waaien. In Zeeuws-Vlaanderen: ``'t Is daar net buitenland, de mensen zien er raar uit, je verstaat ze niet, maar ze zijn allemaal even aardig. En het eten is er verschrikkelijk.''

Het lokale vermaak bestond er uit het zoeken naar resten van dieren op het strand. Gefossiliseerde resten van dieren of resten van gefossiliseerde dieren. In ieder geval: vooral haaientanden. De toeristen worden per advertentie opgeroepen om eraan mee te doen. De Zeeuwsvlamingen zelf vinden altijd de grootste tanden.

Langs de boorden van een dichtslibbende geul die een soort natuurlijke barrière vormt tussen Nederland en België worden al sinds mensenheugenis donkere, ja vaak zelfs zwarte haaientanden gevonden. Sommige als eieren zo groot maar bijna altijd vlijmscherp. Geen tientallen of honderden, maar duizenden. Generatie op generatie heeft daar al de zakken met tanden gevuld maar de voorraad lijkt onuitputtelijk. De VVV van Cadzand kan tot op de meter precies aangeven waar de meeste tanden in het zand liggen.

De vraag is: waar komen deze tanden vandaan, waarom spoelen ze alleen op dat minuscule stukje strand aan en waarom belandt er nooit eens een hele haaienkaak of haaienkop op het strand. Hoe kan het dat die tanden nog zo vlijmscherp zijn als zee en zeezand toch overigens in staat blijken de hardste stenen rond te slijpen?

Er wilde niets beters te binnen schieten dan dat het misschien een sorteringseffect was. Dat de hele Noordzeebodem vol lag met haaientanden maar dat ze door een samenspel van wind en water toevallig allemaal op één plaats terecht kwamen. Zoals het afgevallen iepenzaad zich soms maar in één portiek ophoopt. Het leek het verstandigst te bellen met het zee-instituut op Texel maar dat schakelde onmiddellijk door naar het instituut Alterra aan het andere eind van de gang. Dr. Mardik Leopold maakte korte metten. Het kortst was zijn antwoord op de vraag waarom er nooit haaienkaken of haaienkoppen worden gevonden. De haai is, net als de rog, geen beenvis maar een kraakbeenvis en kraakbeen fossiliseert niet of nauwelijks. Het hardst is de haai in zijn haaientand en in de wortel die daaraan vast zit. Dat er maar op zo'n klein stukje van de kust tanden aanspoelen heeft niets te maken met sortering. De geologische aardlaag waarin veel haaientanden voorkomen strekt zich misschien wel uit tot in Duitsland of Frankrijk, wie zal het zeggen, maar alleen in de monding van de Westerschelde komt hij even aan de oppervlakte. Daar zit als het ware een gat in de zeebodem waaruit het Scheldewater voortdurend tanden loswoelt. De reis naar het strand is maar zo kort dat geen noemenswaardige erosie van de tanden optreedt.

Waarin wèl sortering optreedt, zegt Leopold, is de reis van barnsteen naar de kust. Op Texel wordt barnsteen altijd vooral gevonden op plaatsen waar ook het veel makkelijker te herkennen veengruis aanspoelt. Kennelijk hebben barnsteen en veen ongeveer dezelfde dichtheid (soortelijk gewicht).

En ook in het aanspoelen van schelpen speelt sortering een rol, elk kind weet dat. Lang niet alle soorten schelpen spoelen op alle plaatsen aan, en zelfs tussen de linker en rechter klep van dezefde soort kan een flink verschil optreden. Daaruit blijkt al dat niet in alle gevallen de dichtheid de doorslag geeft.

Leopold zelf heeft bekendheid gekregen door zijn onderzoek naar het aanspoelen van linker en rechter schoenen. Op een vogelcongres in Glasgow in 1996 waar ook het aanspoelen van zeevogels werd besproken kwam de vraag naar voren of er verschil in gedrag zou zijn tussen linker en rechter schoenen. Leopold ging prompt op Texel aan de slag, een bevriende collega op de Shetland-eilanden. En al in 1997 was er zekerheid. Op Texel spoelden vooral linkerschoenen aan (64 procent) en op de Shetlands vooral rechter (60 procent). Het nieuws is met enige triomf naar buiten gebracht.

Leopold: `De reacties waren overstelpend. Uit alle hoeken kreeg ik commentaar en extra informatie. Mensen stuurden zakboekjes op met aantekeningen en er zijn zelfs vragen gesteld in het Europese parlement.' Ook anderen sloegen aan het turven en inmiddels wordt beweerd dat aan de Australische noordkust stranden voorkomen waar voornamelijk linker teenslippers aanspoelen en andere waar vooral rechter slippers terecht komen.

Leopold zelf is het vertrouwen in het sorteringseffect een beetje kwijt geraakt door de resultaten van de grote `Nike shoe spill'. Op 27 mei 1990 kwam het containerschip `Hansa Carrier', onderweg van Zuid-Korea naar de VS, terecht in een zo zware storm dat vijf containers overboord sloegen. Eén van deze containers, beladen met met 61.000 Nike sportschoenen, brak open en loosde zijn sneakers in de zee. Zes maanden later begonnen de eerste Nikes aan te spoelen op de de Canadese westkust. In het voorjaar van 1991 spoelden nog steeds sportschoenen aan, maar nu zuidelijker bij de staat Washington. De oceanografen Ebbesmeyer en Ingraham hebben de reis geanalyseerd en er interessante conclusies uit getrokken. Zo blijken de Nikes, die drijvende een beetje boven het water uitsteken en dus wind vangen, 30 procent sneller te reizen dan de zee zelf. Het is natuurlijk duidelijk dat er alleen sortering kan optreden àls er een snelheidsverschil is tussen water en object. Maar in dit geval werden geen stranden gevonden waar overwegend linker schoenen lagen.

Het was, zo op de valreep, niet meer mogelijk de uitkomsten te vinden van een ander groot ongeluk. In januari 1992 verloor een containerschip, van Hongkong op weg naar de VS, containers geladen met gele plastic badeendjes, rode badbevers, blauwe badschildpadden en groene badkikkers. In totaal zijn zo'n 29.000 dieren vrijgekomen en ongetwijfeld staken ze niet allemaal even hoog uit het water. Ook de baddieren zijn massaal aangespoeld, maar of de eenden op andere plaatsen landden dan de bevers: daarover later.