Sorry zeggen betekent niets als je je verantwoordelijkheid niet neemt

President Bush heeft spijt van de mishandelingen. Maar spijt helpt niet als niemand verantwoordelijk is.

We leven in de tijd van het excuus. Als zich een crisis voordoet of een schandaal wordt onthuld, is de eerste impuls van veel publieke figuren tegenwoordig in spijtbetuigingen uit te barsten. Deze onuitputtelijke stroom van onverhulde wroeging heeft bij iedereen verwachtingen gewekt: slachtoffers – echte of vermeende – eisen niet alleen gerechtigheid maar ook boetedoening; en journalisten werken daar maar al te graag aan mee. Zo veranderde de openbare commissie die de gebreken in de veiligheid voor 11 september 2001 onderzocht in een dagelijkse soap. Zou Condoleezza Rice ingaan op de suggestie van Richard Clarke en telegeniek haar spijt betuigen dat dit allemaal maar kon gebeuren? Hoe zou ze `overkomen' als ze op alle punten haar verontschuldigingen aanbood? En – van nog groter belang voor de media – hoe zou ze overkomen als ze dat niet deed?

Rice is een middelmatig nationale-veiligheidsadviseur maar ze is een goede tacticus. Door te weigeren berouw te tonen (,,Het zou niet goed zijn voor de slachtoffers of voor het land als ik me zou verontschuldigen dat 11 september 2001 heeft kunnen gebeuren. Daarmee zou ik blijven steken in het verleden'', zoals ze in 60 Minutes aan Ed Bradley uitlegde), betaalde ze een geringe prijs in de sympathiewedloop maar leidde ze wel sterk de aandacht van de journalisten af van alles wat belangrijk was. In het middelpunt stonden de huidige gevoelens van Condoleezza Rice, in plaats van haar daden in het verleden. Vroeger letten we op wat openbare figuren deden en wat ze vonden. Nu willen we eigenlijk alleen maar weten hoe ze zich voelen. En iedereen, zelfs de president, doet hier geestdriftig aan mee.

Dit is een recente ontwikkeling. Als politici in het verleden met slecht nieuws werden geconfronteerd, deden ze vooral of er niets aan de hand was. In plaats van ons te zeggen wat ze vonden van iets vervelends waarvoor ze misschien verantwoordelijk zouden worden gesteld, kwamen ze eenvoudig met ontkenningen: ,,Het is helemaal niet waar.'' Later, als ontkennen niet meer mogelijk was, bagatelliseerden ze de zaak: ,,Oké, het was wel waar, maar het was niet zo erg als u zegt.'' En nog weer later, als de schaal van de misdaad of het schandaal iedereen duidelijk was, gaven ze dan toe dat ,,het inderdaad waar was en inderdaad zo erg was als u zegt. Maar het is allemaal zo lang geleden – waarom oude koeien uit de sloot halen?''

Dat is op veel plaatsen nog altijd de reactie. In Japan wordt de mishandeling van Chinezen en Koreanen in de oorlog nog altijd verdoezeld met halve ontkenningen en officieel geheugenverlies. De Turkse autoriteiten – en tal van Turken – schuiven moeizaam heen en weer tussen een verontschuldigende herschrijving en een openlijke ontkenning van de geschiedenis als ze met het bloedbad onder de Armeniërs worden geconfronteerd. De Australische leiders ontkennen niet meer de bijna-volkenmoord op de Aboriginals, maar dat is zulk oud nieuws dat ze daar niet meer bij stil wensen te staan. Zelfs waar internationale druk officiële `spijt' en schadevergoeding onvermijdelijk heeft gemaakt, zoals in het geval van de holocaust, is oprecht officieel berouw zeldzaam – de excuses van de Poolse president Kwasniewski voor het aandeel van zijn landgenoten in de vernietiging van hun joodse buren was des te doeltreffender omdat het zonder weerga was.

De openbare verontschuldiging is kortom geen universele politieke reactie op slecht nieuws. Ze lijkt typisch Amerikaans – ook Tony Blair bezondigt zich er weliswaar aan, maar met zijn uitgevente godsdienstigheid en zijn zalvende moralisme is Blair dan ook is de meest `Amerikaanse' premier uit de moderne Britse geschiedenis. Hij is ook van dezelfde leeftijd als Bill Clinton, Al Gore, George W. Bush en andere baby-boomers die zijn gevormd door de pedagogische revolutie van de jaren zestig en de narcistische beslommeringen van die tijd.

Voor deze generatie politieke leiders – en hun aanhangers – is het altijd belangrijk geweest om het juiste soort gevoelens te hebben en deze overvloedig te tonen. Zo betreurt (volgens zijn woordvoerder) president Bush – tot nu toe schijnbaar immuun voor de gevoeligheden van zijn generatie – de `pijn veroorzaakt' door de publicatie van foto's en rapporten van Amerikaanse militairen die Irakezen martelen. In zijn eigen woorden is Bush `ongelukkig' met het gebeurde en `betreurt' hij `de vernedering' van Iraakse gevangenen. Hij mag dan niet zeggen dat hij precies `hun pijn voelt' – dat is meer een sentiment à la Clinton – maar het idee is min of meer hetzelfde. In een generatie die is opgevoed met de cultus van de zelfverbetering, door psychotherapie dan wel door religieuze wedergeboorte, ben je een beter mens als je je beter voelt: en wie zich excuseert, voelt zich onmiskenbaar beter. En ook het slachtoffer voelt zich beter – dus sla je drie vliegen in één klap: je bent goed, je doet goed en je voelt je goed.

Maar in de overgang van privé-relaties naar publieke zaken stuit het excuus op een aantal boeiende paradoxen. In de eerste plaats ondermijnt het zichzelf. Zoals iedereen weet die ooit met jonge kinderen te maken heeft gehad, dient spijt betuigen een tweeledig doel: het erkent schuld en pleit de dader vrij. ,,Ik zei toch dat het me spijt – waarom ben je nu nog boos?'' Zo hoopt president George W. Bush ongetwijfeld dat hij de kwestie snel achter zich kan laten als hij zegt hoezeer het hem spijt dat zijn leger zich te schande heeft gemaakt. Maar daarin vergist hij zich beslist.

In onze tijd van instant-berouw is de boetedoening sterk gedevalueerd en heeft bijna al haar waarde verloren. De meeste mensen die de president zijn spijt hebben horen betuigen, vooral de Arabieren en moslims tot wie hij zich in de eerste plaats richtte, zullen maar weer eens de beroemde reactie van Mandy Rice-Davies hebben herhaald op het hoogtepunt van de affaire-Christine Keeler in Swinging Londen, toen lord Astor onder ede ontkende dat hij met iets met haar had gehad: ,,Tja, wat dacht je dan dat hij zou zeggen?''

Bovendien, hoewel de spijt van de president ongetwijfeld gemeend is, zal zijn sceptische internationale publiek er waarschijnlijk op wijzen op dat hij het niet minder `betreurt' dat het nieuws is uitgelekt. Misschien gaat hij ook nog wel zijn spijt betuigen over de zorgvuldig gepreciseerde excuses die door zijn ondergeschikten worden aangeboden: generaal-majoor Geoffrey Miller, belast met de leiding van de Abu Ghraib-gevangenis, bood eerst zijn excuses aan en legde daarna omstandig uit dat hij doelde op de `onwettige of onbevoegde handelingen' van `een klein aantal militairen'. Ook brigadegeneraal Kimmitt, woordvoerder van het Amerikaanse leger in Irak, preciseerde zijn spijtbetuiging - ,,een klein aantal militairen dat de fout in is gegaan''. Zo'n zuinig, geclausuleerd berouw (is sodomie met een bezemsteel tegenwoordig ,,de fout ingaan''?) vestigt alleen maar de aandacht op zijn eigen ontoereikendheid - en vraagt om beschuldigingen van kwade trouw.

Wat moet een democratische leider dan doen? Als hij te snel excuses maakt, klinkt het vals – vooral voor een buitenlands publiek dat niet bekend is met de Amerikaanse berouwcultus. Maar als hij blijft zwijgen, duidt dat op gevoelloze onverschilligheid of op een doofpot. De misdaden in de Abu Ghraib-gevangenis en elders zijn niet te vergelijken met My Lai of andere gruweldaden die in de hitte van de strijd werden begaan door doodsbange soldaten en onbekwame officieren. Ze komen voort uit die totale onverschilligheid tegenover wetten, voorschriften, rechten en regels die deze regering van begin af aan heeft gekenmerkt en die vroeg of laat wel moest doorsijpelen naar de sergeants en de huurlingen die het vuile werk doen. Dus had president Bush geen andere keus dan meteen toe te geven dat er in Irak vreselijke dingen waren gedaan – en hij kan er maar beter voor zorgen dat hij zeker weet dat hem het hele verhaal is verteld en dat hij dat weer aan ons heeft verteld. Maar een publieke uiting van zijn pijn en verdriet zal niet meer volstaan.

Wat in de hedendaagse Amerikaanse `excuuscultus' ontbreekt is elk verantwoordelijkheidsbesef. Of het nu gaat om de incompetentie van het veiligheidsapparaat voor 11 september 2001; een misplaatst en mislukt imperialistisch avontuur; het wanbeheer en verval van het leger; of het misdadige gedrag van Amerikanen in Irak: iedereen `betreurt het', iedereen betuigt `spijt' – maar niemand voelt zich naar het schijnt `verantwoordelijk'. Volgens president Bush (in een vraaggesprek met Al Hurra): ,,Wij geloven in transparantie, omdat we een vrije maatschappij zijn. Zo doen vrije maatschappijen dat. Als er een probleem is, pakken ze dat openhartig aan, rechtdoorzee.'' Zij het natuurlijk dat we dat helemaal niet doen.

Want meteen in de volgende zin verzekert president Bush zijn gesprekspartner dat ,,ik vertrouwen in de minister van Defensie heb, en vertrouwen in de bevelhebbers ter plaatse... omdat zij en onze troepen geweldig werk ten behoeve van het Iraakse volk doen.'' De bevelhebbers kunnen dus opgelucht ademhalen. Intussen had de New York Times (van 6 mei) een aandoenlijk verhaaltje over de verwarde en hulpeloze soldaten die de eigenlijke martelingen uitvoerden en die beweerden dat ze bevelen opvolgden/geen bevelen hadden/die bevelen verkeerd hadden begrepen/zelf verkeerd waren begrepen/op dat moment onder grote druk stonden/nu onder nog grotere druk stonden, enzovoorts.

Iedereen betreurt dat `het' is gebeurd. Maar als de leiders niet verder komen dan deze schijnheilige en zelfzuchtige reactie staan de Verenigde Staten er slecht voor. Als Donald Rumsfeld, Paul Wolfowitz of generaal Richard Myers mannen van eer waren, zouden ze beschaamd aftreden. Maar dat zijn ze niet. Als George W. Bush van presidentieel kaliber was, zou hij hen inmiddels wel ontslagen hebben – en persoonlijk de volle verantwoordelijkheid voor hun incompetentie hebben genomen. Maar waar de zwartepiet ook belandt dezer dagen, in elk geval niet op het bureau van de president. Toch kan alleen iets ouderwets als plichtsbetrachting het aanzien van Amerika in de wereldgemeenschap terugwinnen.

Voor de rest van de wereld zijn de excuses van president Bush louter een poging om de schade te beperken. Dezelfde president die zei Gods kruistocht tegen het Kwaad te leiden en die zich koesterde in de zelfvoldane aura van zijn onoverwinnelijke strijders, zal moeite hebben om de rest van de mensheid ervan te overtuigen dat hij zich echt bekommert om een paar mishandelde Arabieren. Zoals de jongste gebeurtenissen hebben aangetoond kan Amerika onder president Bush zijn vijanden nog altijd ontmoedigen en vernederen. Maar het heeft wel het respect van zijn vrienden verloren – en is hard op weg zijn zelfrespect te verliezen. Dat is pas iets om te betreuren.

Tony Judt is historicus en directeur van het Remarque Instituut van de universiteit van New York, dat zich concentreert op Europa.