Nieuw type vergissing van peuters ontdekt

Er is een nieuw psychologisch fenomeen ontdekt bij jonge kinderen. Rond twee jaar blijken peuters oprecht moeite te doen om (onmogelijke) handelingen uit te voeren op miniatuurobjecten. De psychologen die over het fenomeen rapporteren in Science (14 mei) verklaren de vergissingen uit een onvermogen waarneming en beweging precies op elkaar af te stemmen. De identificatie van het voorwerp (een stoeltje, een autootje) roept een motorische planning op die niet meer gestopt wordt, ook al blijkt al snel dat het voorwerp veel te klein is om op te zitten of om in te klimmen. De actie is heel goed te onderscheiden van spel: doen alsof je op dat stoeltje gaat zitten. Het betreft hier een serieuze poging.

De Amerikaanse psychologen zagen het fenomeen eerst bij hun eigen kinderen en bij kinderen die om andere redenen in het psychologisch laboratorium werden onderzocht. Vervolgens ontwierpen ze een experiment om de `vergissing' op te roepen. Daaruit bleek dat die vooral voorkomt bij kinderen van 20 tot 24 maanden en sporadisch bij iets oudere of jongere kinderen. Jongere kinderen zijn kennelijk nog niet staat een voldoende coherent handelingsplan te hanteren, oudere kinderen breken een eventueel opgeroepen handelingsplan op tijd af.

Het experiment bestond eruit dat in totaal 54 kinderen (tussen 18 en 30 maanden oud) eerst vrij konden spelen met een stoel, een glijbaan en auto op `ware' grootte. Vervolgens werden de objecten in afwezigheid van het kind vervangen door drie miniatuurversies en kon het kind weer even vrij als voorheen in de kamer spelen. Zo werden 25 van de 54 kinderen verleid tot de gezochte categoriefouten. Ruim een derde van de vergissingen werd spontaan gemaakt, dus zonder dat de experimentator (terloops) de aandacht van het kind op een van de objecten had gevestigd.