Mes, bloed en onthoofding

De verbijsterende foto's uit de Abu Ghraib gevangenis doen ons denken aan de boeken van D.A.F. de Sade (1740-1814). De Sade, literator, filosoof van de duisternis stelde de vraag: waarom is het kwaad zo onnatuurlijk? De Sade infiltreert, zelfs ná zijn dood, in de hoofden van de Amerikaanse marechaussee in de Abu Ghraib gevangenis, om hen ervan te overtuigen dat het beter is zich aan de ondeugd over te geven dan zich ertegen te verzetten. Aan het begin van La nouvelle Justine ou les Malheurs de la vertu, spreekt de Sade, ongetwijfeld ook namens de Abu Ghraibs bewakers, de volgende veronderstelling uit: ,,Zullen zij niet met enig recht zeggen dat de deugd, hoe mooi ook, de slechtste keuze is die men kan maken als ze niet bij machte is het tegen de ondeugd op te nemen en het in een volkomen verdorven tijd als de onze veiliger is te doen als alle anderen?'' Hier kunnen de bewakers van Abu Ghraib protesterend tegen ons zeggen: ,,U demoniseert ons, en u begrijpt het niet. We moeten het opnemen tegen een onmogelijke en absoluut inhumane vijand die met niemand, dus ook niet met de Irakezen mededogen heeft.''

Om deze bewakers van een respons te voorzien, grijp ik naar een passage uit het rapport van de Argentijnse Commissie inzake verdwenen personen. Deze waarheidscommissie deed onderzoek naar de personen die door de militaire junta onder leiding van Videla gemarteld waren, dan wel om het leven waren gebracht. De commissie opent haar eindrapport met een verwijzing naar de ontvoering van Aldo Moro in Italië. Een vooraanstaande medewerker van de veiligheidsdienst van Italië had voorgesteld zo nodig met behulp van martelingen achter de schuilplaats te komen van de linkse terroristen die premier Aldo Moro hadden ontvoerd. Het antwoord van generaal Della Chiesa was werkelijk memorabel: ,,Italië kan het verlies van Aldo Moro overleven. Italië kan echter de introductie van marteling niet overleven.''

De democratische deugden, rechten en plichten vormen de fundamenten van de westerse beschaving. Schendingen daarvan moeten tot morele en juridische afkeuring leiden. De democratische deugden mogen eventueel, een enkele keer, onder buitengewoon bijzondere omstandigheden geschonden worden, maar desondanks dienen de plegers ervan ooit ter verantwoording te worden geroepen. Het is dan aan het recht te beoordelen of in de gegeven omstandigheden een verontschuldiging kan worden gevonden voor de concrete misdaden van de personen die een universele rechtsnorm hebben geschonden. Het westerse concept van recht en gerechtigheid is streng en strak, omdat slechts hierin de superioriteit van de westerse cultuur ligt besloten. Niemand, waar dan ook, mag dus ontsnappen aan het recht.

En dan komen nog de videobeelden van Al-Qaeda, waarop te zien is hoe een Amerikaanse burger met een mes werd onthoofd. Dit doet ons dan denken aan het islamitische offerfeest: in naam van Allah wordt een schaap op de grond gelegd en het wordt met een scherp mes de keel doorgesneden. Hier, terwijl hij het offerdier op Mekka richt, speelt een deugdzame man met het mes. Als het dier onthoofd is, vloeit het bloed. De offeraar aanschouwt de triomf van het bloed. Is de offeraar, degene die onthoofdt, een deugdzaam mens? Hij voldoet aan de deugdenleer van een in dit opzicht ondeugdelijke religie. Hij lijkt op een zoon van Allah, wellicht Mohammed de messentrekker die sinds zijn geboorte is opgegroeid met mes, bloed en onthoofding. Zo brengt de moslimcultuur de moslims in de permanente nabijheid van bloed. Allahs waarheid is bloed. Hoe kan men Allah en zijn bizarre zonen aan het recht onderwerpen?

De Hongaarse schrijver Sándor Márai beschrijft en begrijpt de offerscène in zijn meesterwerk Gloed. Hij schrijft daarin het volgende: ,,Op een avond werden ter ere van ons bezoek gasten uitgenodigd, Arabische gasten. Tot dan toe werden we op bijna Europese wijze onthaald, de gastheer was rechter en smokkelaar, een van de rijkste mannen van de stad. In de gastenkamers stonden Engelse meubels, de badkuip was van puur zilver. Maar die avond kregen we iets te zien. Na zonsondergang arriveerden de gasten, allen mannen, heren en bedienden. Het vuur brandde al midden op het erf [...] Iedereen ging doodstil zitten rond het vuur. [...] Toen werd een lam gebracht, een wit lam; de gastheer nam het mes en met een beweging die ik niet kan vergeten, sneed hij het de keel door. Die beweging kan men niet leren, het is een oosterse beweging, uit de tijd dat doden nog een symbolische, religieuze betekenis had [...] Zo hief Abraham het mes tegen Izaäk.''

Twee onvergelijkbare werelden hebben we naast elkaar gezet: 1) De Amerikaanse marechaussee die in de geest van De Sade kiest voor de ondeugd, en zich daardoor in een donker, crimineel, bijna vijandig verboden terrein aan de randen van zijn rechtscultuur plaatst. 2) De moslimstrijder die de kern van zijn offercultuur op meesterlijke wijze ten uitvoer brengt, en zich in de systematische, cultuurverbonden, gewelddadige ondeugdzaamheid plaatst.

Zijn dus alle moslims de facto gevaarlijke gekken? Neen. Ook moslims veranderen hun cultuur. Bovendien wijst de meerderheid deze verschrikkingen af. Er is al lang een cultuurstrijd gaande in de islamitische wereld. De eerste slachtoffers van deze offercultuur waren moslims.

Irak moet niet worden uitgeleverd aan Al-Qaeda, Mogtada al-Sadr, Ba'athisten of de Abu Ghraib cipiers. Iran, Saoedi-Arabië en Syrië hebben belang bij het mislukken van de democratisering in Irak om aan de westerse wereld te laten zien dat moslims barbaren zijn die louter onder tirannie kunnen leven. Volgens deze landen moet het Westen zich dan neerleggen bij het bestaan van islamitische tirannen. Inmiddels weet het Westen dat juist de tirannie het kloppende hart van de offercultuur van dit barbarendom is.