In het museum in Washington blijkt dat de historische kennis in de VS beter is dan in Nederland

De Nederlandse Nobelprijswinnaars, het slingeruurwerk van Christiaan Huygens, de industriële of koloniale geschiedenis van ons land – allemaal onderwerpen voor een Nederlands Nationaal Museum, vindt Maarten Huygen. Leren we meteen weer wat over onze geschiedenis.

Het Nationale museum voor Amerikaanse geschiedenis in Washington biedt een mooi voorbeeld voor een museum voor Nederlandse geschiedenis. Uniek aan het Smithsonian Nationale Museum voor Amerikaanse geschiedenis in Washington vind ik de prominente rol van technische, industriële en wetenschappelijke vindingen uit het verleden. Meestal beperkt zo'n historisch museum zich tot de glorieuze wapenfeiten, maar als het een beetje eerlijk is, komen ook infame incidenten aan bod, waarvan er een aantal opdoken toen ik vorige week in Washington was. Uitvinders en geleerden zijn even belangrijk als politici, arbeiders of kunstenaars voor de geschiedenis van een land. Washington staat al vol met monumenten voor helden.

In het historisch museum (americanhistory.si.edu.com) krijg je de voorgeschiedenis van de gloeilamp te zien en een beschrijving van de industriële competitie tussen de verschillende gloeidraadsoorten waarbij Thomas Edison de voornaamste plaats inneemt. De ontwikkeling van de computer en de digitale technologie komt aan bod, via Samuel Morse, de telefoon en de radio en je ziet een doorsnee van de deeltjesversneller die al die experimenteel op elkaar botsende atomen een beetje begrijpelijk maakt en keukenapparaten.

Van een grote, zware treinlocomotief ga je naar de trams, de stadsuitbreiding, dan de auto en de vorming van suburbia. Dat is even belangrijk als het pantheon van helden en schurken uit de geschiedenisboeken. Daarom is het Nationaal Museum voor Amerikaanse geschiedenis mijn favoriet. Het kan als voorbeeld dienen voor een Nederlands equivalent dat er beslist moet komen. Nederland is immigratieland geworden, net als Amerika, dus moet het ook net zo duidelijk zijn over zijn geschiedenis en identiteit. In plaats daarvan is het onderwijs in de vaderlandse geschiedenis juist vager en onbegrijpelijker gemaakt.

In tegenstelling tot wat wijsneuzen beweren, is het in Nederland met de historische kennis van het eigen land slechter gesteld dan in Amerika. De gemiddelde Amerikaan krijgt de nationale geschiedenis standaard op school, bezoekt graag musea, leert alles over Vietnam, de bevrijdingsoorlog, het ontstaan van zijn Constitutie en de eerste president George Washington. Maar de Nederlandse bevrijdingsheld, Willem de Zwijger, moet maar net op Nederlandse scholen zijn behandeld tussen de toevallige eindexamenthema's, zoals de katoenindustrie in Noordwest Engeland of de oorlogen in Vietnam (niet in Indonesië dus). Kijk eens in de geschiedenisboekjes van de kinderen en je schrikt. Het Amerikaanse museum voor nationale geschiedenis kan volstaan met het opstellen van de legertent van generaal George Washington, terwijl in Nederland bij het tonen van een schilderij van een zekere Willem van Oranje nog heel wat uitleg is verschuldigd. Een museum kan de culturele revolutie van het leren leren in het geschiedenisonderwijs natuurlijk niet in zijn eentje ongedaan maken, maar het is een begin van herstel. Voor immigranten is het museum een levendige aanvulling op het integratieklasje. Voor groep 8 van de basisschool kan het een vast uitje worden, er is voor kinderen heel veel te beleven in zo'n museum.

Een hernieuwde kennismaking met dit Washingtonse museum heeft me enthousiast gemaakt. Alleen de winkel viel me tegen. Ik had me ten onrechte verheugd op het wetenschappelijke speelgoed dat je daar vroeger kon kopen, zoals vele soorten magneten, gyroscopen, kompassen, telescopen, draaischijven met spiralende kleureffecten, vliegtuigjes. Een Nederlandse nationale museumwinkel moet dat wel hebben naast boeken, historische opnamen van volkskoren, dansen, bekende zangers en speciale muziekuitvoeringen. Gelukkig is de publieke omroep zuinig geworden op zijn geschiedenis, zodat er genoeg beeldmateriaal is om tentoonstellingen en museumwinkels aan te kleden.

Naast wetenschap en techniek zag ik er alle presidenten, feestjurken van de first ladies sinds Jacky Kennedy en nagebouwde historische delen van het Witte Huis. Dat laatste hoeven we hier niet na te doen, maar een beetje koningshuis past wel. Interessant vond ik de immigratiegeschiedenis van zwarten als slaven uit Afrika, van joden uit Oost-Europa. Die tentoonstellingen kun je afwisselen met de immigratie van andere groepen. De watersnoodramp, Srebrenica, de ontploffing van Enschede kunnen worden behandeld. Met een historische canon voor de eeuwigheid kom je niet uit.

Vandaag begint in Washington een tentoonstelling over de burgerrechtenbeweging. De lunch-bar van het gesegregeerde warenhuis Woolworth in Greensborough waar zwarten in 1960 demonstratief aan gingen zitten, is nagebouwd. Voor dergelijke verzetsdaden kom je hier al snel bij de illegale drukpers van de oorlog terecht, of bij Anton de Kom, zwarte verzetsheld in Suriname en in Nederland.

De Washingtonse curatoren hebben zich laten leiden door wat ze op zo'n museumvloer aan spectaculairs kunnen laten zien. Een gigantische stoomlocomotief, een nagebouwd stukje laboratorium van het Manhattan project voor de atoombom. In Nederland zou je Fokker kunnen laten zien, het oude Dafje, de innovatieve familie Philips, de onovertroffen Nederlandse scheepstechnologie uit de zeventiende eeuw met koperen platen om aangroei van algen tegen te gaan, het slingeruurwerk van Christiaan Huygens of de verrichtingen van de maar liefst 16 Nobelprijswinnaars die Nederland rijk is. De koloniale geschiedenis. Henry Deterding en de Koninklijke Shell. Immigratiegeschiedenissen van Indonesiërs of Turken. Het hoort allemaal bij het nationale verhaal.

Als voordeel boven Amerika heeft Nederland de overvloed aan schilderijen, vooral sinds de zeventiende eeuw. Het Amsterdamse Historisch Museum heeft er goed gebruik van kunnen maken om de regenten en hun omstandigheden te schetsen. Ik nam daar een kijkje ter vergelijking. Nederlandse curatoren doen niet onder voor Amerikaanse collega's. Ik zag een prachtige reeks voorbeelden uit de vroegere levens van Amsterdamse kinderen. Mooie sociale portretten van de bevolking.

Zo'n nationaal museum hoort in de nationale hoofdstad thuis en niet in de regeringsstad Den Haag. In Washington vinden ze het zo belangrijk dat iedere Amerikaan zijn geschiedenis leert kennen dat het museum gratis is. Hier kan alleen een linkse socialist als Jan Marijnissen zo ruimhartig zijn.