Een beter ras

Eens per maand kregen mijn ouders het tijdschrift in een grote, gesloten wikkel in de bus: Sextant, het orgaan van de NVSH, de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming. Het maakte in die jaren vijftig en zestig deel uit van het progressieve gedachtegoed. Behalve op de Sextant hadden mijn ouders een abonnement op de VARA-gids en Het Vrije Volk en waren ze lid van de PvdA. Kortom, ze maakten deel uit van de Rode Familie. Als ze weg waren, bladerde ik het blad als dertien-, veertienjarige steevast door. Op zoek naar afbeeldingen van schaars geklede of blote vrouwen. Als ik ze vond, waren ze altijd heel decent, als uit een biologieboek. Ze stonden er niet in om mijn lust op te wekken maar om condooms, pessaria en glijmiddelen aan te prijzen. Maar dat maakte de foto's er voor mij niet minder opwindend op.

Niet veel later toen ik zelf condooms nodig had of liever gezegd: dacht nodig te hebben – leek het me raadzamer ze elders aan te schaffen. Mijn ouders waren dan wel progressief, maar dat betekende nog niet dat ik mijn seksuele zielenroerselen graag met hen deelde. En ik had de stellige indruk dat zij er net zo over dachten. Daarom begaf ik mij voor alle zekerheid naar een drogist in het centrum van de stad, ver van de buitenwijk waar wij woonden. Ik liep het bewuste straatje een paar keer op en neer, keek schichtig om me heen of de kust veilig was en dook dan snel de winkel in. Binnen plaatste ik gespannen tot in mijn vezels de mega-order: een pakje Durex, drie stuks! Samenzweerderig, zonder woorden, schoof de drogist de contrabande over de toonbank.

Ik wist toen nog niet dat een zekere Johannes Rutgers (1850-1924) de grondlegger was van de beweging voor seksuele hervorming. Evenmin dat de Rutgersstichtingen waar speciale artsen seksuele problemen op verantwoorde wijze met hun cliënten bespraken en anticonceptiva verstrekten, naar hem waren vernoemd. Samen met zijn vrouw Mientje verrichtte hij baanbrekend werk in een tijd dat vrijwel niemand zich als voorstander van anticonceptie durfde te uiten. Daar kwam ik pas achter toen ik een boek schreef over zijn zoon, de bouwkundig ingenieur en communist Sebald Rutgers die in het hart van Siberië, aangetrokken door de Russische revolutie, een internationale onderneming stichtte, om Lenin te helpen. Een idealist van het zuiverste water. Evenals zijn vader. Problemen waren er om te overwinnen. Verwacht niet te veel van genoegens en leer teleurstellingen dapper verdragen, was zijn motto. De mens moest lijden, vond hij. Zonder lijden zou de mens pas echt ongelukkig zijn. Zonder schaduw geen licht. Merkwaardig eigenlijk dat de man die de lust als een last beschouwde de grondlegger was van de seksuele hervorming in Nederland.

Rutgers bevolkingspolitieke denkbeelden over bevolkingsgroei en armoede, seksualiteit en voortplanting zijn de afgelopen decennia uiterst beladen geworden. De gevoeligheid van recente plannen van staatssecretaris Ross om de voortplanting van verstandelijk gehandicapten te ontmoedigen is daarvan een voorbeeld. Ruim een eeuw geleden werd er heftig gedebatteerd, maar je kon gewoon zeggen dat Nederland vol was. Johannes Rutgers wilde de bevolkingsgroei remmen uit angst voor nog meer armoede, in navolging van Thomas Robert Malthus, die had berekend dat de bevolking sneller zou toenemen dan haar middelen van bestaan. Adviseerde Malthus nog om geslachtsverkeer te vermijden, Rutgers wilde de overbevolking bestrijden door toepassing van anticonceptiva, de basis van de in 1881 opgerichte Nieuw-Malthusiaanse Bond (NMB), de voorloper van de NVSH.

Nieuw-Malthusianen als Rutgers ondervonden veel weerstand. Niet alleen van confessionelen, maar ook van socialisten die van mening waren dat Rutgers c.s. het uit angst voor het revolutionaire spook op de arbeidersklasse hadden gemunt. Door anticonceptie zouden ze het proletariaat getalsmatig in de hand willen houden. Daarentegen vonden de socialisten dat de overbevolking eigenlijk niet hoefde te worden aangepakt. In de op handen zijnde socialistische maatschappij zou de geslachtsdrift en daarmee het kindertal, namelijk vanzelf geregeld worden, hoopten ze.

Zelfs sommige liberalen hadden hun bedenkingen tegen de nieuwlichterij van Rutgers. Ze waren bevreesd dat slechts het ontwikkelde deel der natie vatbaar zou zijn voor de gedachte van geboortebeperking. Het gevolg zou, zo was de vrees, een omgekeerde survival of the fittest zijn. De hogere klasse zou krimpen ten faveure van de arbeidersklasse die zich nergens iets aan gelegen zou laten liggen en zich hartstochtelijk en roekeloos zou blijven vermenigvuldigen. Het gevolg zou zijn dat de hogere, betere klasse ten onder zou gaan. Dat was het laatste wat Rutgers voor ogen had. Waarschijnlijk vond hij dat mensen met beperkte verstandelijke vermogen de voortplanting moest worden belet. Hoewel hij geen duidelijk standpunt innam, pleitte hij soms voor geneeskundig onderzoek vóór het huwelijk en bleek hij niet wars van sterilisatie. Maar van dwang was hij niet gediend. Mensen moesten worden vóórgelicht.

Rasverbetering vond Rutgers evenmin verwerpelijk als immigratie. In zijn boek Rasverbetering en bewuste aantalsbeperking (alleen die titel al zou nu hele volksstammen op stang jagen) voorspelt hij dat het gele spook – het Mongoolse ras – het Indo-Germaanse in aantal zou overvleugelen. Op zoek naar een beter leven in Europa dat zijn welvaart juist dankte aan de geboortebeperking. Ongerust hoefden wij ons echter niet te maken. Wij zouden overwinnen omdat wij op een hoger standpunt der evolutie stonden. Maar dan moesten wij vooral niet tot hun standpunt afdalen, waarschuwde hij. Integendeel, door een goede inburgering zouden zij ,,onze hoogere levenseischen, onze praerogatieven overnemen, en ook zij zullen leeren hun aantal te beperken.'' Aldus zou deze rassenstrijd worden beslecht. De Chinezen hoefden geen Europeanen te worden, wij geen Chinezen. Maar uit de vermenging van beide moest een ras ontstaan, dat ook onze idealen kan bevredigen.

Eén ding was duidelijk. Het ging Rutgers vooral om het nut dat iemand had. In zijn in 1894 geschreven brochure Anno 1999 waarin hij een heilstaat schetst, zou productieve arbeid superieur zijn en luiheid als ontrouw worden beschouwd. Iedereen moest zijn bijdrage leveren. Mocht hij verzaken, dan was heropvoeding de oplossing. En had iemand een ongeneeslijke, ondragelijke kwaal, dan was een arts wel bereid hem uit zijn lijden te helpen. ,,Een werkelijk ongelukkig mensch is dus op den duur niet denkbaar, want is er werkelijk geen hoop meer dan verkiest hij zelf onder deskundige leiding de zoete lethargie; gewoonlijk gebruikt de geneesheer daarvoor een voldoende hoeveelheid morphine opgelost in vruchtenwijn, vandaar het spreekwoord: moest ik zoo ellendig zijn, dronk ik liever zoeten wijn.''

Toen hij zichzelf niet meer van nut voelde, was hij consequent. Op 3 augustus 1924, vierenzeventig jaar oud, maakte hij een eind aan zijn leven. Zijn naam leeft voort in de Rutgers Stichting expert in seksualiteit staat er anno 2004 in het telefoonboek van Amsterdam.