De misvatting van eeuwige groei en andere vergissingen van de Nota Ruimte

De vraag hoe we zouden willen dat Nederland er over vijftig jaar uit ziet, wordt niet gesteld in de Nota Ruimte van het kabinet-Balkenende. Wel wordt het onwankelbare geloof in groei beleden.

Als iets in staat is mijn verbazing te wekken, is het wel het bijna fundamentalistisch te noemen geloof van een reeks kabinetten sinds de jaren '70, van allerlei politieke signatuur, aan `groei' als panacee, als geneesmiddel tegen alle kwalen, wapen tegen de dreigingen van de toekomst, baken in een onzekere wereld zonder ideologieën. Groei dan uitsluitend te verstaan in economische zin.

Bepalend voor ons denken over de toekomst is niet het soort vragen als: wat voor samenleving zouden wij graag zien ontstaan voor onszelf en ons nageslacht? of: hoe vinden wij dat Nederland er over een halve eeuw uit moet zien? of: hoe streven we het best naar de maximale (dus ook geestelijke) ontplooiing van onze burgers? - maar: hoe blijven we in de kopgroep van de Europese economische marathon, die niet door de goden over ons is afgeroepen, maar waar we zelf, in onze hubris, verantwoordelijk voor zijn.

Men zou zich andere programma's kunnen voorstellen. In plaats van ons te gedragen alsof de aarde en haar schatten werkelijk onuitputtelijk zijn, zouden we ons bijvoorbeeld als goede rentmeesters eens een fikse versobering kunnen voornemen, ons totaal op hol geslagen consumptiepatroon – waarin geen kind meer gelukkig is zonder mobieltje en geen volwassene zonder droomkeuken, skivakantie of debiliserend spelprogramma op tv – enigszins kunnen terugdringen, zodat er wat overblijft voor wie na ons komt of voor minder bedeelde gebieden op aarde.

Maar geen politicus durft aan zoiets impopulairs zijn naam te verbinden: groeien moeten we tot we erbij neervallen. En omdat we van het verleden niks meer leren, zijn we vergeten dat we ten bate van die groei ons onderwijs hebben doodbezuinigd, evenals onze gezondheidszorg, ons cultuurbeleid inclusief de publieke omroep, de bejaardenzorg enzovoort – de lijst is bekend. Over het onderwijs wil ik het verderop nog hebben.

Je zou van het kabinet waar we nu mee gezegend zijn, kunnen zeggen dat het niet veel anders doet dan het beleid van voorgaande kabinetten op velerlei gebied voortzetten – met dien verstande dat de slechtste kant van het economische kortetermijndenken nu zijn zin krijgt op allerlei terreinen waar eerder althans nog iets van een links-liberaal geweten (schijn)tegenstand bood. Bewindslieden mogen wat hobby's bedrijven (oude mensen hun rollator en hun sigaretje afpikken en na wat gemor weer teruggeven, beetje beweren dat de pers de overheid niet moet lastigvallen, beetje zeuren of Nederlandse soldaten in Irak mogen schieten of niet, bedenken dat je voor het beroerdste soort onderwijs dat we hebben misschien de leerplicht tot 23 jaar mag doen gelden), maar als het erop aankomt, is er ook voor de verklaarde christenen in het gezelschap maar één wet: groei.

Groei is ook, als je door alle franje en versluierende taal heen leest, de kern van de nieuwe Nota Ruimte waarop het kabinet Balkenende ons trakteert. Voor wie lezen kan is de ondertitel al omineus: `Ruimte voor ontwikkeling.' Bedoeld is uiteraard economische ontwikkeling. In de woorden van de Nota gaat het zo: ,,Hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid is om ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies.'' (Hoofdstuk 1, `Sturingsfilosofie en ruimtelijke visie'.) De essentie van dit jeukverwekkende en versluierende Nederlands wordt verderop duidelijk: ,,Meer specifiek richt het kabinet zich in het nationaal ruimtelijk beleid op: versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland, bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden en borging van de veiligheid.''

Het is geen toeval dat die concurrentiepositie voorop staat; twee alinea's lager herhaalt het kabinet: ,,Een andere belangrijke achtergrond voor de doelen in deze nota, is de wens om Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder tot een sterk concurrerende en dynamische economie te maken.''

Ik ben terug bij mijn verbazing. Is dat werkelijk het hoofddoel van ons denken over de inrichting van Nederland, dat we een sterk concurrerende economie moeten worden? Maar een kind kan toch inmiddels zien waar die populistische managerstaal toe leidt? Vanwege onze concurrentiepositie moesten we de Betuwelijn hebben, anders werden we het nieuwe Brugge in Europa, wisten de groeidenkers ons te melden. Miljarden en miljarden gaven we eraan uit, en het laatste nieuws is volgens mij nog steeds dat het ding de Nederlandse burger tot in lengte van jaren geld zal blijven kosten. (Wie een beeld wil hebben van alle gedraai, gesjoemel en terreur waarmee dit soort enorme werken gepaard gaat, herleze nog maar eens het schokkende stuk van Wouter Leeuwenburgh `Manipulatie en belangenverstrengeling bij Betuwelijn en HSL' in NRC Handelsblad, `Opinie & Debat' van 7 februari jl.) Hetzelfde betoog hoorden we omtrent Schiphol; alle zeurpieten die vraagtekens durfden te zetten bij de rücksichtslose uitbreiding van onze `nationale' luchthaven werden in de hoek gezet als doemdenkers, nostalgici en verziekers van het nieuwe, dynamische Nederland. Nu die zo na te streven Europese concurrentie zo'n beetje alle nationale luchtvaartmaatschappijen de afgrond in heeft gedreven, en die andere `nationale trots', de KLM, aan de Fransen is verkocht, begint de nieuwe AirFrance-KLM (waarin de Fransen 80 procent van de aandelen bezitten) ineens twijfels te uiten over de omvang van Schiphol. Nogal wiedes: Air France gaat heus niet Schiphol als thuishaven gebruiken – concurrentie, nietwaar. Nu zegt de KLM, las ik in De Volkskrant van 5mei, dat de grootte van Schiphol kunstmatig is, en dat Schiphol waarschijnlijk te duur zal worden. Bij deze sombere woorden van de KLM-woordvoerder zag ik ineens het Schiphol van over tien jaar voor me: een uit zijn krachten gegroeid pretentieus winkelcentrum met halflege vertrekhallen waar de gure oostenwind doorheen blaast en waar een stroom vliegtuigen overheen trekt richting Parijs. Daar hebben we dan al die miljarden voor infrastructuur (inclusief bouwfraude) voor uitgegeven, al die kantoorparken voor aangelegd en al die boeren voor weggejaagd.

Nee, het lijkt me niet verstandig de versterking van de internationale concurrentiepositie tot hoofddoel te maken van de Nota die verlossende woorden moet spreken over de niet geringe problemen waar het ruimtelijk beleid in Nederland mee te maken heeft.

Om het allemaal nog wat erger te maken, heeft dit kabinet besloten de regie over de inrichting van Nederland voor een groot deel uit handen te geven. ,,Daarbij is het belangrijk'', schrijft het vroom in de Nota, ,,dat iedere overheidslaag in staat wordt gesteld de eigen verantwoordelijkheid waar te maken.'' En: ,,Dit kabinet beperkt zich [...] in het aantal regels dat het rijk aan anderen oplegt en vergroot de ruimte voor decentrale overheden, maatschappelijke organisaties, private partijen en burgers. Zo wordt ruimte gemaakt voor maatwerkoplossingen in lokale en regionale kwesties en wordt de verantwoordelijkheid zo dicht mogelijk bij burgers en betrokken partijen gelegd.''

We hebben in de recente politieke geschiedenis een aantal voorbeelden gezien van zo'n delegatie van essentiële

bevoegdheden aan lagere overheden en van vertrouwen in de werking van `de markt'. Een van de meest sprekende is de Cultuurnota die minister Van Doorn in de jaren '70 uitbracht, en die de verantwoordelijkheid voor het kunstaanbod delegeerde aan de lagere overheden. Het resultaat kennen we: tal van schouwburgen en multifunctionele centra in het hele land die alleen kunnen blijven bestaan als ze hun oren naar de `markt' laten hangen – wat betekent dat je overal waar je komt dezelfde affiches ziet hangen van de legers cabaretiers die we blijken te bezitten en van gladde theaterproducties uit het commerciële circuit, terwijl de cultuurtempels verder hun brood moeten verdienen als partycentrum.

Vertaald naar het Nederlandse landelijk gebied betekent dit voorbeeld, grof gezegd, dat de deur wordt opengezet voor de handige lokale lobbyisten, de projectontwikkelaar die met de wethouder of de gedeputeerde in de herenclub zit, de investeerder in pret- en bedrijvenparken. Wie denkt dat ik te somber ben, moet maar eens in het voetspoor van Thijsse een zwerftocht door ons land maken om te zien wat er nu al aan lelijkheid door de mazen is geslipt, van de woekeringen van `witte schimmel'-boerderettes bij prachtige Groningse en Friese dorpen, via het gruwelijke recreatiewoningen-complex pal aan de A2 tegenover Abcoude (dat het zicht op het weidegebied van de Vinkeveense plassen verpest), naar het Zuidl-Lmburgse Euro-groeigebied (`de kennisdriehoek Eindhoven-Leuven-Aken', juicht de Nota) met zijn droevige kabouterarchitectuur in een van onze mooiste landschappen.

Denk ik echt dat de verantwoordelijkheid voor het beheer van het landschap bij gemeente- en provinciale besturen in minder goede handen is dan bij de rijksoverheid? Ja, dat denk ik echt, op grond van jarenlange waarnemingen.

Mij staat bijvoorbeeld nog zeer helder voor de geest hoe de Tweede Kamer eraan te pas moest komen om in het rivierengebied de lagere overheden te beletten het landschap te vernietigen met hun exorbitante dijkverzwaringen, waarin waterschappen en lokale aannemers het voor het zeggen hadden; het parlement eiste onderzoek door een nieuwe commissie (de commissie-Boertien), die pleitte voor een meer verantwoorde aanpak. Als het aan de provincie had gelegen, was Nederland nu tussen zee en Nijmegen een Atlantikwal rijk. De verantwoordelijke gedeputeerde had zijn naam al in steen laten hakken in het eerste schrikbarend verbeterde stuk dijk.

En ik zou het kunnen hebben over de poldergemeente ten zuiden van Amsterdam die in een hoek van het gemeentelijk gebied al tientallen boeren had uitgekocht voor de gigantische nieuwe stad die zij ambieerde te bouwen. Gelukkig was er een rijksoverheid die de plannen (die al miljoenen hadden gekost) afblies na een vernietigend oordeel van de rijksbouwmeester. De boeren zaten in Australië of hadden het maar opgegeven.

En dan was er nog het bestuur van een klein dorp aan de rivier dat zijn eigen bevolking jarenlang een oor probeerde aan te naaien met valse voorlichting over bouwvergunningen voor een bedrijf dat een enorme loods wilde bouwen in een beschermd stuk uiterwaard – maar deze voorbeelden kunt u ongetwijfeld zelf aanvullen, lezer, met veel eigen ervaringen.

Natuurlijk zijn er lagere overheden met een sterk besef van de waarde van landschappen, maar de krachten waartegen ze het moeten opnemen zijn in veel gevallen te groot: het verdwijnen van boerenbedrijven (vijf per dag in Nederland!) met alle bedrijvigheid die daarmee samenhangt, het wegtrekken van ondernemingen naar lagelonenlanden – om er maar twee te noemen. Veel gemeenten zijn eenvoudigweg niet geequipeerd om zinvolle oplossingen te ontwikkelen, en huren `deskundigheid' in van communicatiebureaus en projectontwikkelaars; ik heb nogal eens bijeenkomsten met zulke plannenmakers mogen bijwonen en bewaar nachtmerrie-achtige herinneringen aan hun vlotte managersbabbels en standaard-oplossingen: bedrijvenparken waar na een jaar de borden TE KOOP en TE HUUR nog aan de gevels zitten; woningbouw und kein Ende; recreatie en leukigheid. Je weet niet of je het naïef of cynisch moet noemen, dat een kabinet in een land dat nog nahijgt van bouwfraudeschandalen en planologische missers, zó onbeschaamd durft in te zetten op `de markt' en de `private partijen'.

Hoe het kabinet-Balkenende zijn rentmeesterschap over de ruimte in Nederland opvat, moge blijken uit een kleine bloemlezing uit de voornemens.

Onder het kopje `Bedrijventerreinen' zegt het: ,,Nederland heeft bedrijventerreinen nodig voor een duurzame economische groei.'' Vervolgens meldt het dat er tot het jaar 2020 nog 23.000 hectare bedrijventerrein bij moet komen. U weet dus wat u te wachten staat als u in de file staat op enige rijksweg: nog meer spiegelwanden waarin u zichzelf ziet. Van die bedrijventerreinen zullen de lagere overheden natuurlijk het leeuwendeel realiseren, maar de rijksoverheid zal zich extra inzetten voor de zogenoemde `topprojecten'. Een van die topprojecten is een bedrijventerrein van 300 hectare in de Hoeksche Waard. Hoe men zich in de Hoeksche Waard geschoffeerd voelt, beschrijft Arjen Schreuder in deze krant van 4 mei. Minister Pronk had nog bepaald dat het eiland een Nationaal Landschap zou worden, maar VVD-minster Dekker in de Nota Ruimte heeft anders beslist. De Hoeksche waard is volgens de minister slechts een `overwegend open akkerbouwgebied', niks bijzonders dus. God helpe de andere overwegend open akkerbouwgebieden in Nederland, en trouwens alle gebieden, natuur of cultuur, waar `de markt' zijn begerige oog op laat vallen. Dirk Sijmons, Rijksadviseur voor Landschapsarchitectuur, spreekt in het stuk van Schreuder zijn afkeuring uit over het besluit. Hij duidt de Hoeksche Waard aan als ,,... een erg mooi gebied. Een nurks landschap, niet op kijkcijfers gemaakt.'' Dat vind ik een briljante typering van het gevaar dat het Nederlandse landschap bedreigt: het kijkcijferdenken dat de meeste stemmen van pret en snel gewin laat gelden en kwaliteit vooral lastig en elitair vindt.

Dat boeren uit Nederland blijven verdwijnen, beschouwt dit kabinet (net als een reeks voorgaande overigens) als een ingreep uit goddelijke sferen waar de nederige mens zich maar bij neer heeft te leggen. Dat je je op dit gebied aan het volstrekt uitzichtloze wedstrijddenken zou kunnen ontrekken, komt niet in deze bestuurlijke breinen op. Hebben `we' eigenlijk wel eens een visie ontwikkeld op het soort landbouwbedrijvigheid dat we in Nederland per se zouden willen behouden? En in welke omvang? Is het niet eens tijd voor een energiek plan om jonge boeren in staat te stellen werkelijk de functie van landschapsbeheerder te combineren met kleinschaliger biologische landbouw? Maar dat kan alleen via een gericht subsidiestelsel, en dit kabinet blijft zijn verwachtingen richten op de ,,verdergaande liberalisering van de wereldmarkt'', hoezeer die zijn failliet ook heeft bewezen. De angst slaat je om het hart als je leest hoe Balkenende c.s de toekomst van het boerenbedrijf zien: ,,De blijvende bedrijven zullen doorgroeien, zich naar verwachting organiseren in robuuste agrarische en agrofoodcomplexen of hun economische activiteiten verbreden.''

Het meest weemoedig stemmend van deze Nota vond ik de paragraaf omtrent de ontwikkeling van de `kenniseconomie'. Decennia van groeidenken hebben door als onderwijsbeleid verkochte bezuinigingen het onderwijs afgebroken, en nu komen we erachter dat kennis een belangrijk economisch goed is. ,,Nederland bezit op veel kennisterreinen geen toppositie meer'', stelt het kabinet bedroefd vast. Het wil daaraan iets doen door de ,,innovatieve potenties van innovatieve regio's'' te benutten. Dat zijn regio's met ,,clusters op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT), kennisintensieve (`high tech') bedrijven, landbouwinstituten en kapitaalsintensieve bedrijven''. Daarom wil de nota gunstige condities scheppen voor de vorming en verdere ontwikkeling van `kennisclusters', zoals de hierboven al genoemde `kennisdriehoek' Eindhoven-Leuven-Aken. Een mooie aanduiding vind ik ook die van de regio Eindhoven als `brainport'.

Als je deze Nota Ruimte leest, vergeet je bijna dat er mensen in Nederland wonen. Mensen die hard moeten werken, die de kinderen naar school brengen, 'savonds een eindje om wandelen in de stad, misschien graag uitkijken op een bosrand of een open akkerbouwgebied en helemaal niet nostalgisch willen dat Nederland altijd blijft zoals het was, maar toch ook niet alleen wensen te worden gezien als pion in een wereldwijd economisch schaakspel.

Interessant vond ik een klein berichtje in deze krant van 7 mei. Minister Dekker deelde, las ik, de zes gemeenten in de Hoeksche waard per brief mede, dat de landschappelijke waarden van de Hoeksche Waard wel `van betekenis' zijn, maar `niet zodanig' dat het rijk daarvoor medeverantwoordelijkheid moet nemen. Zij ziet vooral een rol voor provincies en gemeenten om landschap en natuur in het gebied te versterken. De middelen om die rol te vervullen geeft ze er natuurlijk niet bij, net zo min als Van Doorn dat bij zijn cultuurspreiding deed, want we moeten bezuinigen om te groeien.

Willem van Toorn is essayist, schrijver en dichter. Hij schreef dikwijls over het landschap, het rivierenlandschap speelt de hoofdrol in zijn roman `De rivier'(1999)