Bus naar de hel

Ook Indonesiërs vochten aan de zijde van Osama bin Laden in Afghanistan. Deze veteranen vormen de kern van Jema'ah Islamiyah, het netwerk dat verantwoordelijk is voor `Bali'. Het doel: een islamitisch gemenebest van Indonesië, Singapore, Maleisië, Thailand en de Filippijnen.

Indonesië heeft het terrorisme de oorlog verklaard. Niet, zoals het westen, op 9 september 2001, maar ruim een jaar later, op 12 oktober 2002. Twee bloedige bomaanslagen op het vakantie-eiland Bali doordrongen Jakarta er toen van dat de nieuwe vijand vaste voet had in Insulinde.

Het was niet de eerste aanslag in de archipel die door de keuze van het doelwit religieuze motieven suggereerde. Op 24 december 2000, de dag voor kerst, werd Indonesië 's avonds opgeschrikt door veertien bijna gelijktijdige explosies. Rond negen uur ontploften bommen van Medan in Noord-Sumatra tot Mataram op het eiland Lombok. De aanslagen waren gericht tegen protestantse en katholieke kerken, christelijke begraafplaatsen en de woningen van priesters en dominees. In Jakarta waren vijf kerken, waaronder de kathedraal, doelwit. Er vielen dertien doden en bijna tweehonderd mensen raakten gewond, van wie negentig ernstig.

De eerste bom ging 's middags voortijdig af. In een autoshowroom annex garage in Bandung, West-Java, klonk een harde knal. Politiemannen gingen het rokende pand binnen. Ze vonden twee lijken en tientallen ontstekingsmechanismen voor explosieven. In deze werkplaats was mogelijk een serie aanslagen voorbereid. De vondst zette de Indonesische politie op het spoor van een schimmige organisatie, die blijkbaar in staat was tot een gecoördineerde actie in negen steden, in zes verschillende provincies van het eilandenrijk.

De veertien ontplofte bommen (en de twaalf die op tijd onschadelijk werden gemaakt) bleken van hetzelfde kaliber en van dezelfde makelij. De springstoffen waren conventioneel, dat wil zeggen: niet in gebruik bij het leger. Die constatering was van belang. Sinds de val van potentaat Soeharto, in mei 1998, werd driftig gespeculeerd over ondermijnende acties van gefrustreerde militairen.

De eerste bom in het reformasi-tijdperk ontplofte op 1 augustus 2000 voor de woning van de Filippijnse ambassadeur in Jakarta. Daarbij vielen twee doden en twintig gewonden, onder wie de gezant uit Manila. De politie repte van `buitenlandse terroristen'. Na de kerstbommen legden de Indonesische autoriteiten, althans publiekelijk, geen verband met deze eerdere aanslag.

Kort na kerst, op 30 december 2000, ontploften vrijwel gelijktijdig vijf bommen in het centrum van de Filippijnse hoofdstad Manila. Daarbij kwamen 22 mensen om, 120 raakten gewond. De Filippijnse politie schreef de aanslag toe aan de radicale vleugel van de beweging voor afscheiding van het islamitische zuiden. Het leek Indonesië niet aan te gaan.

In de loop van 2001 werden in Jakarta liefst vier bomaanslagen gepleegd, drie bij kerken en één in een luxe winkelcentrum. De terreur was kennelijk ideologisch geïnspireerd. Maar zowel de pers als de autoriteiten van Indonesië schrokken ervoor terug een godsdienstig motief toe te schrijven aan de daders. Op de Molukken en in Midden-Sulawesi waren christenen en moslims intussen verwikkeld in bloedige gevechten, maar het viel Indonesië zwaar om geloof en geweld met elkaar in verband te brengen. Terrorisme was iets buitenlands.

Vijand

Na 11 september 2001 verdeelde de `oorlog tegen het terrorisme' de wereld opnieuw in bondgenoten en vijanden. De islamitische geloofsgemeenschap van Indonesië – de grootste ter wereld – liet na ruim dertig jaar haar stem horen en verbood de Indonesische regering in deze `oorlog tegen de islam' de Amerikaanse kant te kiezen. Toen de VS de eerste raketten afvuurden op Afghanistan, ging in Jakarta een radicale minderheid de straat op. Jonge Indonesiërs wilden meevechten met de Talibaan. In zo'n klimaat was het bijna verraad te suggereren dat zich ook in eigen land terroristen ophielden.

In januari 2002 arresteerde de Filippijnse politie de 30-jarige Fathur Rahman Al-Ghozi, een Indonesiër uit Madiun, Oost-Java. Hij werd verdacht van de verzending van een ton explosieven naar geestverwanten in Singapore. Tijdens zijn verhoor bekende Al-Ghozi, sterker nog: hij gaf toe dat hij was betrokken bij de decemberaanslagen in Manila. Maar de Indonesische pers reageerde uiterst sceptisch op Al-Ghozi's bekentenis. Het islamitische dagblad Republika noemde de politie van het buurland `een spreekbuis van de Amerikaanse propaganda'. Het weekblad Tempo legde uit dat ,,een deel van de Indonesische moslims nu eenmaal solidair is met de vrijheidsstrijd van het Moro-volk op Mindanao.' Het blad wees erop dat Al-Ghozi's vader ooit was opgepakt wegens lidmaatschap van een illegale, moslimfundamentalistische organisatie. In Indonesië bestond kennelijk een radicaal moslimmilieu.

Op 4 april 2002 ontploften weer drie bommen, dit keer in de Filippijnse stad General Santos: vijftien doden, vijftig gewonden. De Indonesische autoriteiten kregen een dringende boodschap van de buren: uw land herbergt terroristen; resoluut optreden is geboden. Maar er gebeurde niets. Muhyar Yara, een woordvoerder van de Indonesische Staatsveiligheidsdienst (BIN) zegt: ,,Wij riepen eind 2001 al dat (het terreurnetwerk) Al-Qaeda hier actief was, maar niemand luisterde.' Politici vreesden de gramschap van het publiek en zwegen.

En toen werd Bali, het Eiland der Goden, een inferno. Op 12 oktober 2002 ontploften kort na elkaar twee bommen, achtereenvolgens in Paddy's Café en in de Sari Club, de populairste disco van Kuta, Bali's meest bezochte badplaats. Het was de grootste terreurdaad ooit in Indonesië gepleegd. Pas na een week kon de balans worden opgemaakt: 202 doden – meest westerse toeristen – en ruim 300 gewonden. Negen uur na de explosies verscheen de coördinerende minister van Politieke en Veiligheidszaken, generaal b.d. Susilo Bambang Yudhoyono, voor de tv-camera's. Hij keek strak in de lens en zei: ,,Het terrorisme staat voor onze neus.' Het taboe was opgeblazen.

In luttele weken werd Indonesië, dat bij strategen van de oorlog tegen het terrorisme te boek stond als hardleers, een modelleerling. De Indonesische politie verwelkomde de assistentie van de Australische Federale Politie en van de Amerikaanse FBI. Zij volgde, zonder acht te slaan op de door verdachten beleden religie, de sporen van de `Balibombers'. Die leidden naar een regionaal netwerk van moslimfanatici, dat streeft naar een islamitisch gemenebest in Zuidoost-Azië en bruut geweld gebruikt tegen iedereen die de verwezenlijking van dit doel in de weg staat.

In de loop van 2002 achterhaalden politie en inlichtingendiensten in Singapore, Maleisië en de Filippijnen de naam van de vijand. En na de Balibommen namen de Indonesische autoriteiten die over: Jema'ah Islamiyah (Islamitische Gemeente), kortweg JI. Dit netwerk van radicale moslims strekt zich uit over heel Zuidoost-Azië en wordt geleid door Indonesiërs. Zij weken in de jaren tachtig uit naar Maleisië. Hun religieuze en militaire scholing kregen zij in Afghanistan. Uit politieverhoren van arrestanten en interviews van onafhankelijke onderzoekers met informanten uit het JI-milieu ontstond in bijna twee jaar een groepsportret van Jema'ah Islamiyah.

De Ware Gelovige

Oprichter van Jema'ah Islamiyah is Abdullah Sungkar. Hij werd geboren in 1937 als telg van een welgestelde, uit Jemen stammende familie van batikhandelaren in Solo, Midden-Java. Sungkar is een sleutelfiguur. Hij sloeg een brug tussen twee generaties moslimradicalen in Indonesië, en later tussen radicalen uit eigen land en andere landen.

De hoofdstroom van de Indonesische islam is gematigd. Maar het idee van een puur islamitische staat is geen nieuwe mode uit het Midden-Oosten. De door seculiere nationalisten, communisten en gematigde moslims gedomineerde Indonesische revolutie, die uitbrak in 1945, kende een radicale onderstroom. Die had al vóór de Japanse bezetting samenwerking met het Nederlandse koloniale gezag afgewezen: Darul Islam (Huis van de Islam, metafoor voor een moslimstaat). Imam S.M. Kartosoewirjo riep in 1949 een islamitische staat uit in West-Java en hij kreeg in de jaren vijftig medestanders in Zuid-Sulawesi en Atjeh. De regionale kernen van deze tegenstaat werden geleidelijk opgerold door het Indonesische leger. Kartosoewirjo werd in 1962 gefusilleerd. Maar een enkele schriftgeleerde hield vast aan het ideeëngoed van Darul Islam. Zo ook Abdullah Sungkar.

In Solo kwam Abdullah in contact met een gelijkgezinde godsdienstleraar, Abu Bakar Ba'asyir, die in 1938 was geboren in Oost-Java. Met hem richtte Sungkar in 1972 in het gehucht Ngruki, even buiten Solo, een internaat op, Al-Mukmin (de Ware Gelovige). De school, die zich erop beroept de `zuivere islam' te onderwijzen, bestaat nog steeds en telt 2.000 leerlingen uit heel Indonesië. Zij worden ervan doordrongen dat de shari'a, de islamitische wet, moet worden toegepast in alle domeinen van het leven en dat die toepassing macht vereist. In Al-Mukmin wordt een strenge discipline gehandhaafd. Op diefstal of ontduiking van het plichtgebed staan tien zweepslagen.

De internaatsleiding had in 1984 kritiek op president Soeharto. Die eiste van alle maatschappelijke en religieuze organisaties dat zij de staatsfilosofie Pancasila erkenden als hoogste beginsel. Pancasila betekent Vijf Zuilen: van geloof in God – ongeacht welke – tot democratie en sociale gerechtigheid. Sungkar en Ba'asyir verwierpen deze eis omdat hij strijdig was met het wezen van de islam, die geen hoger beginsel zou erkennen dan de eigen geloofsleer. In Al-Mukmin geldt groeten van de nationale vlag nog steeds als zonde.

De militaire inlichtingendienst volgde iedere preek van het dwarse tweetal. Ba'asyir richtte in Solo een radiostation op en zei in een praatje: ,,Het volk van Indonesië zit in een airconditioned bus. Binnen is het koel en comfortabel, maar de bus is op weg naar de hel en de chauffeur is Soeharto.' In 1978 werden beide mannen opgepakt en tot vier jaar veroordeeld. Toen in 1985 een nieuwe zaak tegen hen werd aangespannen, weken zij met zeven andere docenten en leerlingen van Al-Mukmin uit naar Maleisië. Sungkar stichtte in de deelstaat Johor een eigen school, Luqmanul Hidayat, waar hij het gedachtegoed van Darul Islam overbracht op politieke ballingen en jonge gastarbeiders uit Indonesië. Uitblinkers onder zijn leerlingen haalde hij over om een ideologische en militaire training te volgen in Afghanistan. Daar hadden geloofsgenoten de wapens opgenomen tegen ongelovigen bij uitstek, de sovjetbezetters. De eerste groep van 25 man vertrok in 1985.

De Indonesische vrijwilligers werden getraind in Kamp Saddah in Pakistan, aan de grens met Afghanistan. Dat kamp werd geleid door Abdul Rasul Sayyaf, de Afghaanse mujahedeen-commandant met het zwakste netwerk in eigen land en de beste connecties met de geestelijkheid en het zakenleven van Saoedi-Arabië. Michail Gorbatsjov, de nieuwe sovjetleider, gaf zijn leger een jaar om het islamitische verzet te breken. Mocht dat niet lukken, dan zou hij een einde maken aan het Afghaanse avontuur.

Een enkele Indonesiër, onder wie Ali Ghufron uit Oost-Java, één van de `Balibombers', nam in april 1987 deel aan de Slag bij Jaji, nabij Khost. In die veldslag, die 22 dagen duurde, brachten mujahedeen onder leiding van Sayyaf en Osama bin Laden een van de laatste Russische offensieven tot staan. Ali Ghufron herinnerde zich na zijn arrestatie ,,twee meter dikke sneeuw'.

Van 1985 tot 1995 zijn bijna 300 Indonesiërs in Afghanistan geschoold in de krijgskunst en in een compromisloze variant van de islam. Op basis van die ervaring vormden zij hun wereldbeeld, zij smeedden er hechte onderlinge banden, en zij legden ook internationale contacten, onder meer met Al-Qaeda, het netwerk van Bin Laden. Een enkele Indonesiër, zoals Ali Ghufron en Encep Nurjaman uit West-Java, heeft Osama persoonlijk ontmoet.

Op 1 januari 1993 bracht Abdullah Sungkar zijn volgelingen onder in een eigen organisatie: Jema'ah Islamiyah (JI). JI werd hiërarchisch opgebouwd, met regionale divisies (mantiqi) en subdivisies (wakalah). Indonesiërs met ervaring in Afghanistan vormden binnen JI een elite en kregen automatisch hoge posten.

De organisatie staat onder leiding van een amir (spirituele leider) en een centraal commando (markaziyah). JI kent vier mantiqi: 1. continentaal Maleisië en Singapore; 2. Java, Sumatra en een deel van Oost-Indonesië; 3. Mindanao, Oost-Kalimantan, Sabah en Sulawesi; en 4. Australië en Papoea.

De ideologie van JI is Salafy, een strikte variant van het puriteinse wahabisme, de officiële leer in Saoedi-Arabië. De Salafy-doctrine behelst een terugkeer naar de ware islam uit de tijd van de Profeet, ultra-monotheïsme (nadruk op tauhid, het Eén-Zijn van God) en interpretatie van jihad (`ijveren op Gods weg') als gewapende strijd. Die strijd mag volgens salafieten ook worden gevoerd tegen medemoslims die afwijken van de ware leer en die weigeren zich te onderwerpen aan de shari'a. Deze lessen sloegen aan bij Indonesische radicalen, die om hun overtuiging waren vervolgd door het regime-Soeharto.

Eerste doel van JI is een islamitische staat in Indonesië. Het `ballingsoord' Maleisië en Singapore had aanvankelijk vooral tot taak fondsen te werven voor de jihad in het thuisland. JI-lid Wan Min bin Wan Mat, een Chinese bekeerling die wordt vastgehouden in Maleisië op verdenking van betrokkenheid bij de bomaanslagen op Bali, vertelde zijn ondervragers dat, wanneer Indonesië eenmaal een moslimstaat is, de JI van daaruit zal werken aan een Daulah Islamiyah, een islamitisch gemenebest dat Indonesië, Singapore, Maleisië, Thailand en de Filippijnen moet omvatten. Einddoel, zei hij, is herstel van het kalifaat, het plaatsbeklederschap van de Profeet op aarde.

JI werft rekruten in enkele Indonesische pesantren, islamitische kostscholen. Er zijn ongeveer 14.000 pesantren in Indonesië en daarvan is maar een klein aantal de jihad toegedaan. Alma mater van JI is het internaat Al-Mukmin. Andere scholen waar het netwerk leden werft, zoals Al-Islam in Tenggulun, Oost-Java, het geboortedorp van drie `Balibombers', betrekken hun docenten goeddeels van Al-Mukmin.

Reformasi

In 1996 begon de Afghanistanveteraan en latere `Manilabomber' Fathur Rahman Al-Ghozi, een oud-leerling van Al-Mukmin, een nieuwe lichting jihad-strijders te trainen in de Filippijnen. Dat gebeurde in Kamp Abu Bakar, bolwerk van het Moro Islamitische Bevrijdingsfront (MILF) in Mindanao. MILF-strijders en Indonesische vrijwilligers hadden elkaar leren kennen in Afghanistan. Tot het Filippijnse leger het kamp in 2000 overmeesterde, zijn in Abu Bakar zo'n 300 JI-leden getraind. In Mindanao oefenden niet alleen JI-rekruten, maar ook aanhangers van gelijkgezinde groepen uit Zuid-Sulawesi en West-Java, die niet onder de commandostructuur van JI vallen. Eén van die groepen bracht op 5 december 2002 twee bommen tot ontploffing in een winkelcentrum te Makassar, de hoofdstad van Zuid-Sulawesi.

Toen Soeharto in 1998 ten val kwam, besloot de JI-leiding in Maleisië dat Indonesië rijp was voor jihad. Sungkar en Ba'asyir keerden in 1999 terug naar hun vaderland. Sungkar stierf enige maanden later en werd als amir opgevolgd door Ba'asyir.

In de jaren 1998-2002 kon JI zich ontplooien in het land van herkomst. Dat was te danken aan het reformasi-klimaat. President Abdurrahman Wahid, moslimgeleerde en overtuigd democraat, gaf Sungkar en Ba'asyir toestemming voor repatriëring. Indonesië was na dertig jaar wars van autoritair bestuur en beleefde een reveil van de politieke islam. Dat maakte politici huiverig om terreurdaden op conto van moslims te schrijven. Het leger trok zich terug uit de politiek en de politie, die voortaan was belast met de binnenlandse veiligheid, had daar weinig ervaring mee.

Begin 1999 braken bloedige conflicten uit tussen moslims en christenen in de Molukken (Ambon) en Midden-Sulawesi (Poso). Vergelding voor de moslims die daarbij vielen, was aanvankelijk het motief voor de acties en aanslagen van JI. Met een enkele uitzondering, zoals de aanslag op de Filippijnse ambassadeur, waren de doelwitten kerken en priesters. Rekrutering van voetvolk werd ingeleid met discussies over Ambon en Poso en vertoning van video's over die brandhaarden. Een inwoner van Poso vertelt: ,,In de eerste maanden was het conflict een oorlog tussen christelijke en islamitische jeugdbenden. Daarna, toen JI opdook, werd het jihad.' Deze regionale conflicten gaven een concrete inhoud aan het begrip jihad, kernstuk van de JI-ideologie. En rekruten konden zo gevechtservaring opdoen.

Nieuwe doelwitten

De `oorlog tegen terreur' leidde de aandacht van JI af van de Molukken en Poso, zeker toen deze conflicten begin 2002 tot bedaren kwamen. Dat westerse toeristen op Bali doelwit werden, wijst op een verschuiving. De autobom die op 5 augustus 2003 ontplofte voor het Marriott Hotel in Jakarta was ook bedoeld voor westerlingen. Deze koerswijziging is omstreden binnen JI en gaat terug op een fatwa (religieuze instructie) die Osama bin Laden uitvaardigde op 23 november 1998. Daarin heet het ,,de plicht van iedere moslim om Amerikanen en hun bondgenoten – militairen of burgers – te doden.'

Jema'ah Islamiyah heeft een en ander gemeen met Al-Qaeda, zoals de jihad-ideologie en de ervaring in Afghanistan. Maar het is geen filiaal van Bin Ladens netwerk. Hoewel JI contacten onderhoudt met Al-Qaeda, JI-leden Bin Laden vereren en JI geldelijke steun heeft ontvangen van Osama, operereert het Zuidoost-Aziatische netwerk geheel zelfstandig. Het werft de meeste fondsen op eigen kracht en in eigen regio en neemt alle operationele beslissingen zelf. JI blijft, alle retoriek over de vestiging van een kalifaat in Zuidoost-Azië ten spijt, allereerst uit op een Darul Islam Indonesia. Sinds 11 september 2001 mag dan meer aandacht uitgaan naar de Amerikaanse vijand en zijn bondgenoten, bovenaan de agenda staat nog steeds jihad in Insulinde.

Op dit moment zitten meer dan 200 mensen vast die lid zijn van JI of daarvan verdacht worden, in Indonesië, Maleisië, Singapore en de Filippijnen. Hun arrestatie was een forse aderlating. Drie `Balibombers' zijn op grond van de Indonesische antiterreurdecreten van oktober 2002 ter dood veroordeeld. De aanhouding door de CIA en de Thaise politie van Encep Nurjaman (bijnaam Hambali), in augustus 2003, beroofde JI van een topstrateeg, liaison met Al-Qaeda en een belangrijk fondsenwerver. Ba'asyir, de amir van JI, werd in oktober 2002 gearresteerd.

Maar de arrestanten zijn niet onmisbaar. JI heeft een breed leiderschap, regionale vertakkingen en een groot aantal rekruten. En JI bleek zich te kunnen herstellen na de arrestatiegolf die volgde op de Balibommen. De militaire leider van JI, de Javaan Aris Sumarsono alias Zulkarnaen, is nog steeds op vrije voeten en Fathur Rhaman Al-Ghozi wist op 14 juli vorig jaar uit zijn Filippijnse gevangenis te ontsnappen. Sinds de JI-aanslag op het Marriott Hotel in Jakarta zijn geen nieuwe aanslagen gepleegd.

Informanten met JI-contacten vertellen dat binnen de organisatie diepe verdeeldheid is gerezen over deze laatste actie. JI bestaat uit Indonesiërs. Negen van de tien doden die vielen bij de aanslag op het Marriott Hotel waren landgenoten, van wie de meesten taxichauffeurs.

Gerectificeerd

Bus naar de hel

Bij het artikel Bus naar de hel (15 mei, pagina 37) is de auteursnaam weggevallen. Het artikel over de radicale moslimstrijd in Indonesië is geschreven door correspondent Dirk Vlasblom