Broze band coalitiepartners

De sfeer in de coalitie wordt er door de discussie over onze jongens in Irak niet beter op. Het zijn vooral externe factoren die CDA, VVD en D66 dwingen elkaar te blijven omarmen.

Het kabinet Balkenende II begint maandag aan de laatste etappe van zijn eerste jaar. De ministers kunnen het naar verluidt aardig met elkaar vinden, maar voor de coalitiepartijen geldt dat minder. Deze week zette `Irak' de verhoudingen op scherp. Nog voordat D66 en CDA definitieve standpunten hebben ingenomen over verlenging van de militaire missie, loopt de irritatie op. Vooral bij de VVD, die zich wel voor langer verblijf heeft uitgesproken.

De discussie voltrekt zich volgens een bij Balkenende II gebruikelijk patroon: de pijlen richten zich op een mogelijk afwijkende houding van D66. Doorgaans maakt de D66-stem voor het kabinetsbeleid niet uit: LPF levert in de Kamer gaarne alternatieve steun, maar dit keer hebben VVD-fractievoorzitter Van Aartsen en zijn CDA-collega Verhagen gewaarschuwd dat de militaire missie in Irak een belangrijk onderdeel van het regeringsbeleid is.

De waarschuwing tekent de gevoeligheid van de missie in Irak. Maar het zegt ook iets over de ontwikkelingen in de coalitie. Tot nu toe hanteerden CDA, VVD en D66 de informele formule van dualisme zonder brokken: zolang het stemgedrag de afspraken uit het regeerakkoord volgt, geven de drie partijen elkaar onderling de ruimte om daaromheen ,,te scoren'' ten bate van het eigen politieke profiel. Maar op tal van terreinen is geen sprake van hartelijke eenheid tussen de Kamerfracties van CDA, VVD en D66.

Elke coalitiepartner heeft zo zijn eigen problemen met de coalitie. D66 is vooral door `eigen' onderwerpen als bestuurlijke vernieuwing en innovatie thuis in het kabinet. Bij maatschappelijke discussies als integratie van immigranten en veiligheid staat de partij dichter bij oppositiefracties als PvdA en GroenLinks. Dat blijkt ook regelmatig uit het stemgedrag.

Die omstandigheid geeft D66 weinig krediet bij de andere twee partijen bij het doorvoeren van bijvoorbeeld de omstreden plannen van minister De Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing, D66) om het kiesstelsel te hervormen. Voor de zomer moet er volgens de afspraken in het regeerakkoord een wetsvoorstel naar de Raad van State, maar er is nog geen zicht op een voorstel dat de steun heeft van én D66 én CDA én VVD. Nu al wordt bij het CDA het verband gelegd met de coalitieverhoudingen. Het is, zo zegt een CDA'er, ,,onacceptabel'' dat D66 ,,het kiesstelsel bijna in een Torentjesoverleg wil dichttimmeren'' terwijl ze over ,,een zwaarwegend onderwerp als Irak ineens weer 'dualisme' roepen''. De VVD belooft zich ook nog te roeren, met een aangekondigd alternatief nieuw kiesstelsel van fractieleider Van Aartsen.

Het probleem dat de VVD met de coalitie heeft, is dat het de liberalen allemaal niet snel genoeg gaat. Zelfs bij de bestuurlijke vernieuwing worden, als het CDA dwars ligt, incidenteel afspraken gemaakt met de oude paarse vrienden PvdA en D66, bijvoorbeeld bij het referendum over de Europese Grondwet. De liberalen blijven zo een aantrekkelijke dubbelrol in de coalitie uitbuiten. Binnen het kabinet spelen VVD-ministers als Verdonk (Integratie), Kamp (Defensie) en vice-premier Zalm (Financiën) de rol van daadkrachtige aanpakkers op terreinen waar met het CDA weinig verschil van mening bestaat. In de Kamer dringen VVD-woordvoerders aan op een hardere opstelling op gebieden waarover met het CDA wél verschil van mening bestaat: onderwijs, de plaats van de islam in Nederland, de rol van Nederland in Europa. Dat de tweekoppige VVD-leiding Zalm en Van Aartsen onderling daarbij ook nog wel eens in botsing komt, wordt vooralsnog laconiek opgelost: een lijsttrekker, zegt men bij de VVD, is de komende paar jaar toch nog niet nodig.

Het verschil in stijl tussen de kopstukken van VVD en CDA is opvallend. Bij het CDA worden premier Balkenende, de ministers Donner (Justitie), Van der Hoeven (Onderwijs) en De Geus (Sociale Zaken) regelmatig in het defensief gedrongen. De premier heeft te maken met aanhoudende onvrede over zijn stijl en leiderschap, zowel in de Kamer als in het land, zo blijkt uit recente opiniepeilingen. Balkenende heeft al herhaaldelijk zijn eigen gebrek aan populariteit met redenen omkleed: het ligt aan de combinatie van de tegenvallende economie en het programma van ingrijpende hervormingen in onder meer de zorg en de sociale zekerheid, die nog niet hun vruchten hebben afgeworpen. Bij het CDA wordt er vast op gerekend dat het krediet voor de premier toeneemt bij de eerste concrete resultaten van het kabinetsbeleid.

Juist daarom staat voor het CDA de komende week veel op het spel. Dan zal blijken of het kabinet in het voorjaarsoverleg alsnog tot afspraken met de sociale partners (werkgevers en werknemers) kan komen over vut en prepensioen. Officieel hebben de ministers de hoop al opgegeven dat de werkgevers en werknemers elkaar nog vinden en heeft het aangekondigd terug te vallen op de eigen, hardere ingrepen. Maar geen akkoord brengt ook het risico met zich mee van hogere looneisen van de vakbonden, meer sociale onrust en meer rem op de economische groei.

In deze cocktail van verschillende politieke belangen kan er de komende weken van alles verkeerd gaan in de coalitie. De coalitiepartijen hebben één troost: de wekelijkse opiniepeilingen – waar zij officieel niet door laten leiden - geven geen ruimte voor een `bedrijfsongeval'. De laatste peiling van eind april kent de coalitie (nu 78 zetels) slechts 69 zetels toe. D66 kan alleen maar macht verliezen, CDA staat op fors verlies en VVD kan rekenen op een terugkeer van de onveranderlijk hoog scorende PvdA. Bovendien is stabiliteit gewenst voor het half jaar Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie, dat op 1 juli aanbreekt. Het zijn vooralsnog deze externe krachten die de coalitie bij elkaar houden.