`Wij verdienen het geld, onze bazen geven het uit'

China's steden groeien en bloeien, maar hoe is de situatie in het achterland? Onze correspondent gaat er twee weken per auto op uit. Vandaag een ontmoeting met mijnwerkers die een paar goede handschoenen zouden willen.

Ook na ruim tien jaar krijgt de oude mijnwerker er nog tranen van in zijn ogen: het ongeluk van 27 april 1993 in de Jinhuagong-mijnen in de buurt van China's `kolenhoofdstad' Datong kostte aan 28 mijnwerkers het leven. Hij kreeg de opdracht om de stoffelijke resten van de mannen met wie hij jaren had gewerkt, uit de mijn naar boven te halen, en wat hij toen zag, zal hem altijd bijblijven.

Dertig jaar geleden begon hij vol goede moed in de mijn, maar inmiddels is hij al zijn sympathie voor zijn werkgever, een staatsmijnbouwbedrijf, volledig kwijtgeraakt.

,,Kijk naar mijn handschoenen'', zegt hij, terwijl hij een paar dunne stoffen handschoenen toont die nog het meeste van tuinhandschoenen weg hebben. ,,We krijgen elke maand een nieuw paar, maar die dingen zijn na twee of drie dagen al stuk. Als je dan je handen nog wilt beschermen, kun je alleen maar zelf een nieuw paar kopen.''

De mijnwerker, die zijn naam niet wil zeggen, staat ons te woord op een winderig en door de kolenresten zwart gekleurd stuk onbestrate grond waar vervallen en uitgewoonde mijngebouwen staan. Hij is op weg naar de pikzwarte douches, en ook daarover is hij weinig te spreken. ,,In de winter kom je heel warm uit de mijn, en daarna moet je je boven de grond bij min tien graden omkleden om te douchen. Dan krijg je het zo koud dat je bijna bevriest. De werkgever wil daar niets aan doen, hoe hard we ook klagen'', zegt de man, die spontaan in een klaagzang over de communistische partij uitbarst. ,,We leven in vreemde tijden. Wij verdienen het geld, maar onze bazen geven het uit. Wij zien daar niets van terug.''

Sinds kort is een ander deel van de mijnen opengesteld voor bezoekers die voor veel geld een rondleiding kunnen krijgen. ,,Daar hebben ze alles opgeknapt, het lijkt helemaal niet op de echte mijn'', zegt hij schamper. En waar het geld blijft dat de mijnen ermee verdienen? ,,Ik zou het je niet kunnen vertellen.''

De mijn ligt pal tegenover de grootste toeristische attractie van het gebied: de boeddhistische grotten van Yungang die meer dan duizend jaar oud zijn. De weg naar de grotten is uitstekend, en de parkeerplaats peperduur: voor het geld van een uurtje parkeren kan een mijnwerker tien paar handschoenen kopen. De weg naar de mijn is daarentegen één grote gatenkaas, de woningen en winkeltjes voor de mijnwerkers zijn klein, oud en roetbeslagen. Het kolengruis waait door de straten, zodat de kinderen van de mijnwerkers al vroeg gewend raken aan stof in hun longen.

Wat de mijnwerkers vooral merken van China's economische wonder, is de voortdurend groeiende behoefte aan energie. De kolen voor steden als Peking vallen bijna niet aan te slepen, en onderweg zien we naast vrachtwagens vol kolen ook eindeloos veel kolentreinen, met soms wel honderd wagons die door vier locomotieven worden getrokken. ,,Drie jaar terug ging het slecht met de kolen, toen werden er veel mensen ontslagen, maar inmiddels hebben we ook weer nieuwe, jonge mensen in dienst, want de vraag naar onze kolen is de laatste jaren weer gestegen.''

Een van de jonge mijnwerkers vertelt dat hij per dag nooit meer dan acht uur werkt, en dat hij genoeg vrije dagen krijgt. Hij is duidelijk bang voor mijn vragen, maar de oude mijnwerker is te verbitterd om nog louter wenselijke antwoorden te geven. ,,Natuurlijk werken we vaak meer dan acht uur per dag, en die extra uren krijgen we lang niet altijd betaald. Schrijf maar in die krant van je: de communisten hebben mooie woorden, maar wat ze in de praktijk doen, is een heel ander verhaal.''

Het introducerende eerste deel van dit reisverslag verscheen op 11 mei en is terug te lezen op www.nrc.nl

    • Garrie van Pinxteren