Wat je schrijft moet alles tegelijk zijn

De laatste foto van de broers Van het Reve is genomen op het Muiderslot in 1983. Karel heeft net de P.C. Hooftprijs ontvangen en staat tegenover Gerard. Die kijkt naar zijn broers medaille met een blik waar je enige ironie in kunt zien, de aanloop tot een vileine opmerking, maar die ook nog kan eindigen in een serieuze felicitatie. De uitdrukking op Karels gezicht is niet vrij van wantrouwen. Hij lijkt onderweg om Gerard te snel af te zijn door zelf iets relativerends te zeggen, of juist door hem duidelijk te maken dat er met dit eerbetoon niet te spotten valt.

Gerard en Karel van het Reve zouden elkaar na deze plechtigheid niet meer ontmoeten. Hun relatie ontwikkelde zich in een sfeer van wisselende animositeit die doorging tot de dag voor de dood van Karel, 4 maart 1999, toen Gerard zich liet ontvallen zijn broer `erg oppervlakkig' te vinden. Ger Verrips, auteur van een vijftiental romans en een geschiedenis van de Communistische Partij Nederland, was toen al begonnen met een biografie van Karel van het Reve (1911-1999). Hij had van Van het Reve zelf volledige toegang tot diens kolossale archief gekregen. Het boek is, vijf jaar later, gereed: Denkbeelden uit een dubbelleven, een titel die niet verwijst naar spionage of overspel, maar naar het contrast tussen het communistische gezin Van het Reve en de buitenwereld.

Een van de interessantste onderdelen van dat archief vormen, afgaande op de nu biografie, de brieven, dagboeken en autobiografie (!) die de jonge Karel van het Reve in de jaren dertig en tijdens de Duitse bezetting schreef. Ze tonen een serieuze, intelligente jongeman, bij wie een grote belangstelling voor Rusland doorbreekt, alsmede de voorafschaduwing van een literatuuropvatting, en een groot gevoel voor goede zinnen: `Wat hebben wij eraan als een of andere meneer over iets schrijft en beweert dat het iets heel merkwaardigs is en dat hij het niet begrijpt? Welk recht heeft hij om iets wat bestaat en leeft niet te begrijpen en er god betert nog over te schrijven ook? Het komt omdat alle intellectuelen de dingen niet bekijken zoals ze zijn en zoals ze ze iedere dag zien, maar vanuit hun kronkelige ideeën, die men ze op school of in de kerk heeft aangepraat en die met de werkelijkheid bijzonder weinig te maken hebben.'

Tegenover talent stond een opmerkelijke onzekerheid en een hang naar theorievorming: `Ik voel, dat ik vandaag of morgen heel precies zal kunnen zeggen wat van literatuur de schoonheid is, hoe dat komt etcetera etcetera.' Bij het lezen van Heine concludeert hij `dat er geen verschil mag zijn tussen een wetenschappelijk betoog en de uitdrukking van een ,,individuele emotie'' – en dat de tegenstelling tussen die dingen alleen opgeheven kan worden door hen te verwezenlijken, dat wil zeggen door zo te schrijven, dat wat je schrijft alles tegelijk is.'' Maar bij de vraag hoe hij het een en ander in een roman vorm zou moeten geven, gaat hij twijfelen: hij stuurt zijn latere vrouw Jozien een brief met een uitgebreide synopsis, die hij echter steeds weer onderbreekt met opmerkingen in de trant van `Hier zou ik je advies nog moeten vragen' en andere slagen om de arm. Te veel slagen om de arm, besef je al lezend.

Van het Reves twijfels zijn ook niet verwonderlijk in het licht van wat je dan al eerder in de biografie gelezen hebt: de schets van het weinig opwekkende gezin Van het Reve, waar de oudste zoon Karel verlegen onder tafel kroop als er bezoek kwam terwijl Gerardje de clown speelde. De activiteiten van vader Van het Reve (communist, en schrijver onder het pseudoniem Gerard Vanter) zullen aan de literaire wankelmoedigheid van de jonge Karel hebben bijgedragen. Hij zag bij zijn vader hoe het schrijven van slechte literatuur kon leiden tot bespotting en minachting – zelfs bij je eigen kinderen. Des te pijnlijker moet het geweest zijn dat Gerard, die Karel nooit veel had geïnteresseerd, in 1947 bij verrassing De avonden publiceerde en op slag beroemd werd.

Karel zou vooral faam als essayist en polemist verwerven, waarbij hij met grote scherpte ageerde tegen iedereen die de misstanden in de Sovjet-Unie probeerde te verbloemen of goed te praten. Met dezelfde energie pakte hij freudianen, literatuurwetenschappers en darwinisten aan. Hij koos voor een relatief huiselijk bestaan als hoogleraar Slavische letterkunde in Leiden, maar nam in Moskou, waar hij een jaar correspondent voor Het Parool was, risico's door zich in te zetten voor de verspreiding van geschriften van dissidenten.

Verrips' biografie levert tal van vragen en mogelijke dwarsverbanden op. In hoeverre voelde Karel van het Reve zich door Gerard in literaire zin afgetroefd? Heeft dat er wellicht toe bijgedragen dat hij zich in zijn latere loopbaan toelegde op de non-fictie en zijn `individuele emotie' slechts tweemaal (Twee minuten stilte, 1959 en Nacht op de kale berg, 1961) in een roman probeerde te uiten? Of werd zijn toekomst vooral bepaald doordat hij nu eenmaal óók een grote wetenschappelijke belangstelling had, dat hij nu eenmaal ook graag wilde leren denken. En hoe verhoudt die wetenschappelijke belangstelling zich tot het afbrokkelen van zijn communistische geloof? Moeten we Van het Reve geloven als hij zegt dat hij zich van het communisme afkeerde toen hij inzag dat het marxisme wetenschappelijk gezien geen stand hield?

Het probleem van Denkbeelden uit een dubbelleven is niet zozeer dat Verrips dergelijke vragen onbeantwoord laat, maar dat hij ze nauwelijks stelt. De relatie tussen Karel van het Reve en zijn vader komt nog redelijk uit de verf, maar de verhouding met Gerard allerminst. De wankelmoedigheid van de jonge Karel wordt duidelijk, maar de vraag in hoeverre die karaktereigenschap verband houdt met het latere optreden van Van het Reve als scherp, helder, maar soms ook opmerkelijk simplistisch polemist wordt gesteld noch beantwoord. Had hij zijn onzekerheid overwonnen of probeerde hij die te overschreeuwen? Deze biografie schiet in psychologisch opzicht pijnlijk tekort.

Verrips' stroeve stijl contrasteert met de helderheid van de formuleringen van zijn onderwerp. Hij citeert veel, maar maakt zelden precies duidelijk waar iets vandaan komt: brief, aantekening of terugblik. Bovendien heeft hij ervoor gekozen het oeuvre van Van het Reve goeddeels buiten beschouwing te laten, waardoor het portret van de schrijver veel witte plekken bevat.

Zo is de eerste biografie van Karel van het Reve voor een belangrijk deel mislukt. Toch is dit geen overbodig boek, en dat is te danken aan een aantal redelijk geslaagde hoofdstukken, bijvoorbeeld die over het verblijf van Van het Reve in Moskou en bijvoorbeeld de gesprekken die hij daar met collega-correspondent Henk Kouwenhoven voerde over religie. Of het deel over de avonturen van Karel bij de Pioniers, de kinderorganisatie van de Communistische Partij, waar hij zich aansloot bij de toneelgroep van Ida Last, de vrouw van de schrijver Jef Last. De belangrijkste waarde ontleent dit boek echter aan de grote hoeveelheid (jeugd)teksten van Van het Reve die Verrips uit het archief heeft gehaald. Dat is materiaal voor een mooie biografie.

Ger Verrips: Denkbeelden uit een dubbelleven. Biografie van Karel van het Reve. Open Domein nr. 42. De Arbeiderspers, 472 blz. €32,–