Voor Hilde de hemel bestormen

Het Onafhankelijk Toneel bewerkte `Bouwmeester Solness' van Henrik Ibsen. Zijn stuk lijkt te verwijzen naar de verhitte fantasieën van een historisch pubermeisje, en de aanleiding die een 61-jarige Ibsen daartoe had gegeven.

Hilde Wangel heeft bloemetjes in het haar en draagt een rugzakje, als ze zich bij Halvard Solness en diens echtgenote naar binnen weet te praten. Maar zodra ze in zijn salon staat, trekt ze die bloemetjes eruit, schudt haar haren los en werpt haar rugzakje op de grond. ,,Het leek ons mooi als ze een heel spoor in het huis van die man achterlaat'', zegt Mirjam Koen, die bij het Onafhankelijk Toneel (OT) een nieuwe versie regisseert van Bouwmeester Solness van Henrik Ibsen. ,,Zoals ze ook haar sporen nalaat bij de man zelf.''

En hoe: het is deze Hilde, die de veel oudere Solness komt herinneren aan een kus en een belofte die hij haar ooit – toen zij nog een klein meisje was – zou hebben gegeven. De bouwmeester weet er niets meer van, beweert hij, maar zij houdt vol: hij heeft haar destijds gekust en hij heeft beloofd haar tien jaar later te komen halen om haar tot prinses in haar eigen koninkrijk te maken. Ook zou hij dan nog één keer een toren bouwen om daar zelf jubelend bovenop te gaan staan – een hoogtepunt dat zich zonder veel moeite freudiaans laat duiden. Nu komt ze hem aan die belofte houden. En hij, die allang geen torens meer bouwt, laat zich toch door haar betoveren. De schuldgevoelens die zijn carrière en zijn huwelijk intussen bijkans hebben verstikt, schuift hij opzij. Hij gaat voor Hilde de hemel bestormen.

,,Hij gaat tot het bot'', beaamt Bert Luppes, die in deze Bouwmeester Solness de titelrol speelt. ,,Hij is niet iemand van half werk. Wat hij aangaat, gaat hij voor honderd procent aan. Hij heeft geen remmingen meer. Ik denk dat hij zich opeens weer een kunstenaar voelt, die geen belemmeringen kan verdragen. Dat kan ik me heel goed voorstellen.''

Loopjes

In het nieuwe theater van het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam, een glazen doos rondom een houten huisje dat als toneelzaal fungeert, zijn de acteurs – nog drie weken voor de première – aan het repeteren. Samen met Mirjam Koen zoeken ze naar loopjes, houdingen en intonaties. Af en toe verschijnt er één in kostuum, met spelden op zijn plaats gehouden. Luppes, die een Noors ogend puntsikje heeft laten groeien, spreekt de zinnen die het OT als kerntekst in het programmafoldertje heeft gezet: ,,De ommekeer komt. Dat voel ik. Ik voel dat ze nadert. Er zal iemand naar voren komen met de eis dat ik mij terugtrek, voor hem. En dan stromen alle anderen er achteraan en dringen en schreeuwen: maak plaats... maak plaats... maak plaats... Ja, let maar eens op. Eens, op een dag, komt de jonge generatie en klopt aan de deur.''

Helemaal achter op de grote, diepe speelvloer staat Carola Arons. Zij speelt Hilde. En zij klopt op de deur.

Het is denkbaar, zo hebben zijn biografen geopperd, dat Henrik Ibsen zich in 1891, toen hij Bygmester Solness begon te schrijven, ook zelf door een jonge generatie bedreigd voelde. Hij was 63; zijn invloedrijke toneeldrama's Nora (Het poppenhuis), Spoken, De wilde eend, Rosmersholm, De vrouw van de zee en Hedda Gabler lagen achter hem. Maar minstens zo bepalend was ongetwijfeld de ontmoeting die hij twee jaar eerder had gehad met een meisje van achttien. In de brieven die ze elkaar sindsdien schreven, is het of Hilde Wangel zich tot Solness richt. Dezelfde levenslust als de hare, dezelfde begeestering als de zijne.

Tijdens de zomermaanden van 1889 logeerden Ibsen en zijn vrouw in hotel Gröbner in Gossensass, een stadje in de Oostenrijkse Alpen dat al jarenlang hun vaste vakantiebestemming was. De befaamde Noorse schrijver was er een graag geziene gast; de plek waar hij van het uitzicht genoot, werd ditmaal zelfs met ceremonieel vertoon tot Ibsenplatz gedoopt. Na het concert dat vervolgens te zijner ere plaatsvond, ontmoette hij een jong meisje uit Wenen. Ze heette Emilie Bardach. De daaropvolgende dagen zagen ze elkaar voortdurend.

,,Hij spreekt over de ernstigste zaken des levens en gelooft zo zeer in mij'', schreef zij tijdens die eerste dagen in haar dagboek. ,,Hij verwacht veel, veel, veel meer van mij dan ik vrees dat hij ooit zal vinden. Nimmer in zijn hele leven, zegt hij, heeft hij er zoveel vreugde aan beleefd iemand te kennen. Hij heeft nooit iemand bewonderd zoals hij mij bewondert.'' En verder: ,,Er is hartstocht gekomen die nergens toe kan leiden, daar wij beiden zo aan alle kanten gebonden zijn. Eeuwige obstakels!''

Het lijken de verhitte fantasieën van een pubermeisje, maar op zijn minst gaf de 61-jarige Ibsen daartoe alle aanleiding. ,,Hohes, schmerzliches Glück, um das Unerreichbare zu ringen!'' (,,Hoog, smartelijk geluk, om naar het onbereikbare te snakken'') schreef hij, citerend uit Faust, in haar album. Emilie kon zodoende niet anders dan concluderen dat hij haar gevoelens deelde. ,,Hij zegt dat hij morgen op de ruïnes van zijn geluk zal staan'', noteerde ze op 27 september, na hun laatste ontmoeting, in haar dagboek. ,,Het is zijn bedoeling mij te bezitten. Dat is zijn absolute wens. Hij is van plan alle obstakels te overwinnen.'' Hoe ver de in vuur en vlam staande Ibsen wilde gaan, vertelde ze vele jaren later aan zijn biograaf A.E. Zucker: ,,Hij zou met haar hebben gesproken over de mogelijkheid van een echtscheiding en vervolgens met haar samen te zijn, waarbij ze ruimschoots zouden reizen en veel van de wereld zien.''

Ook in de eerste brieven die Ibsen, eenmaal thuisgekomen, aan zijn Emilie schreef, brandt het vuur nog volop: ,,Ik kan de herinneringen aan de zomer niet wegdrukken, en dat wil ik ook niet. Wat we hebben beleefd, herbeleef ik keer op keer – en nog een keer. Voorlopig is het onmogelijk er een gedicht van te maken. Voorlopig? Zal het me in de toekomst ooit lukken?'' In zijn boek Ibsen, a biography voegt Michael Meyer aan dit citaat toe dat het Noorse woord digt meer kan betekenen dan `gedicht'; het is ook in het algemeen als `creatie' te lezen.

Waarschuwing

Op de achterkant van een foto die Ibsen op 19 november 1889 aan zijn Weense muze stuurde, plaatste hij de opdracht: ,,Aan de meizon van een septemberleven.'' In de begeleidende brief (ondertekend door ,,je zeer toegewijde H.I.'') begon hij zijn toon echter iets te temperen. ,,Je bent altijd in mijn gedachten, en zult daar blijven'', schreef hij. Maar daarop liet hij onmiddellijk een waarschuwing volgen: ,,Een actieve briefwisseling is van mijn kant een onmogelijkheid.''

Nog een paar maanden bleven ze elkaar schrijven; zij vaker dan hij. ,,Lieve prinses'', noemde hij haar. Tot het hoge woord eruit kwam, in een brief van 6 februari 1890: ,,Het is voor mij een gewetenszaak onze correspondentie te beeindigen, of die tenminste te beperken. Jij zou zo weinig mogelijk met mij te maken moeten hebben. Met jouw jonge leven heb je andere roepingen te volgen, andere taken te verrichten. En ik – dat heb ik je al gezegd – kan nooit tevreden zijn met een loutere briefwisseling. Voor mij is dat slechts de helft van alles; het is een onjuiste situatie. Als ik mij niet volledig en zonder reserves kan geven, maakt me dat ongelukkig. Dat is mijn natuur.''

Zo verloren ze elkaar allengs uit het oog. Maar het ging nooit helemaal over. Nog in 1898, toen zij hem had gefeliciteerd met zijn zeventigste verjaardag, schreef hij in zijn dankbriefje: ,,De zomer in Gossensass was de gelukkigste, de mooiste van mijn hele leven. Ik durf er bijna niet aan te denken – en toch moet ik er altijd aan denken.''

Al zes jaar eerder was Bouwmeester Solness in première gegaan. In één detail kon Emilie Bardach zich bijna letterlijk in Hilde Wangel herkennen. Zelf had ze Ibsen eens een fotootje van zichzelf gestuurd, dat ze als Prinzessin von Apfelsinien had gesigneerd. Ook de Hilde in het stuk wordt liefkozend als `prinses' aangeduid – en het koninkrijk dat Solness haar zou hebben beloofd, draagt de naam Orangia. Maar verder gedraagt Hilde zich wellicht heel wat dwingender, manipulatiever dan Emilie ooit is geweest. Haar eigen commentaar op het stuk, opgetekend door A.E. Zucker, was veelzeggend: ,,Ik heb mezelf niet gezien, maar hem wel. Er is iets van mij in Hilde, maar in Solness is er weinig dat niet Ibsen is.''

Te vermoeden valt dat Henrik Ibsen zich nog net op tijd heeft teruggetrokken uit een maalstroom die Halvard Solness uiteindelijk fataal wordt. De bouwmeester wordt overmoedig en stort neer van de toren die hij voor Hilde bouwde, terwijl de schrijver een vooraanstaand lid van de samenleving bleef tot hij op 78-jarige leeftijd stierf.

In de Bouwmeester Solness van het Onafhankelijk Toneel komt de afloop trouwens veel sneller dan in het origineel. De drie bedrijven worden in de OT-versie in omgekeerde volgorde gespeeld: eerst het derde, dan het tweede, en ten slotte het eerste. ,,Je hebt altijd zin om aan zo'n stuk te rommelen'', zegt Mirjam Koen met een vrolijke oogopslag. ,,Ibsen is zo'n goede plotschrijver, dat je als publiek helemaal meegaat met de verhaallijn. Terwijl er met die personages zoveel meer aan de hand is. Ik vind het zonde van de karakters, als je alleen maar zou toeleven naar de vraag of Solness het redt of niet, en dat is het dan. Daarom dacht ik: stel nou eens dat je als toeschouwer al weet hoe het afloopt – zou je dan niet veel duidelijker zien in wat voor wereld die mensen zitten, en hoe ze zich voortdurend moeten aanpassen aan hun omgeving?''

Maar dat maakt het er voor de acteurs niet eenvoudiger op, bevestigt Bert Luppes: ,,Ik heb zoiets nog nooit meegemaakt. Als acteur ben je gewend in de anekdote mee te gaan. Door de verhaallijn vorm je het karakter. Zelf ben ik gewoon me totaal over te geven aan een rol, maar deze omkering schept afstand. Dat is ook wel mooi, denk ik. Je staat nu dingen te spelen die verwijzen naar iets dat jouw personage nog niet heeft ervaren. In mijn script van ons eerste bedrijf, dat dus eigenlijk het derde is, heb ik overal aantekeningen gemaakt waar de zinnen naar iets verwijzen dat het publiek pas later zal horen. Maar ik zoek nog naar de manier waarop ik dat dan zou moeten spelen. Met een pauze of een ander soort melodie in mijn stem? Ik weet het nog niet. Je zult het toch moeten spelen alsof het allemaal nu gebeurt. Je kunt daar niet met voorkennis staan.''

Toneelhuis

Passend is in elk geval het geboor en gehamer dat tijdens de repetitie af en toe tot de theaterzaal doordringt. De glazen doos is klaar, en staat te pronken tegen het sjofele gebouwtje van de Volksbond tegen Drankmisbruik waar het OT al sinds 1985 onderdak heeft – bij de ingang van het Lloydkwartier aan de Maas, waar Rotterdam zijn zoveelste nieuwe wijk bouwt. Aan het blankhouten toneelhuis wordt echter nog volop gewerkt.

Dat het nieuwe theater wordt geopend met Bouwmeester Solness, is geen toeval, beaamt Mirjam Koen. ,,We spelen het nu omdat het iets met bouwen te maken heeft. Maar ook los daarvan stond het al heel lang op mijn lijstje, omdat het een van mijn favoriete stukken is. Het is niet meer puur realistisch. Hilde wijst Solness op het feit, dat hij zichzelf kan overstijgen – en dat gaat ook over kunstenaars in het algemeen. Solness daagt God uit; hij durft torens te bouwen die niet aan Hem gewijd zijn. En Hilde is gefascineerd door gevaar, spanning, de thrill. Er wordt wel eens gezegd dat Ibsen niet meer te spelen is, dat hij te ouderwets is geworden. Daar ben ik het dus niet mee eens. De mensen in zijn tijd leken weliswaar formeler met elkaar om te gaan dan wij nu gewend zijn. Maar ze zeggen elkaar alles.''

Bouwmeester Solness door het Onafhankelijk Toneel. T/m 13/6 in het OT-Theater, Rotterdam, en 15 t/m 26/6 in de Toneelschuur, Haarlem. Inl: 010-4769029, www.ot-rotterdam.nl